De toekomst van de glokale kunst in de Vlaamse derdewereldsector

Toen de ngo Vredeseilanden in 1995 samen met het cultureel centrum de Warande en het project Open Culturele Centra van de Provincie Antwerpen het project ‘Kunst uit Senegal in Vlaanderen’ realiseerde, weerklonk de vraag: ‘Wat heeft dit in hemelsnaam nog met ontwikkelingssamenwerking te maken?’ Bij sommigen stootte het initiatief, waarbij plastische kunstenaars uit Senegal in België verbleven om er te exposeren, zelfs op grote scepsis. De combinatie kunst - ontwikkelingswerk lag niet meteen in de lijn van de verwachtingen.
Inmiddels is de geest veranderd en het denken verbreed. Steeds meer wordt duidelijk dat de vraag naar de relevantie van kunst en cultuur in de sector van ontwikkelingssamenwerking samenhangt met een andere fundamentele vraag: welke vorm van ontwikkelingsgebonden samenwerking heeft de mens van vandaag voor de volgende eeuw in petto?

Culturele globalisering en lokalisering

Reeds in de jaren zeventig wordt het belang van cultuur in relatie tot ontwikkeling onderstreept. Duurzame ontwikkeling ontstaat pas wanneer ontwikkelingsprojecten aangepast worden aan de plaatselijke ‘relatief samenhangende schema’s die een betekenisgevend kader vormen ten aanzien van het eigen ik, de anderen, de materiële en eventueel buitenmenselijke wereld, op het cognitieve, het affectieve en het evaluatieve vlak’ (1).

Inmiddels evolueert de wereld in een ijltempo naar het jaar 2000. De ideologische metaverhalen van de moderniteit zijn teloorgegaan. Liberalisering, deregularisering en privatisering kenmerken het economische gebeuren. De natiestaat verdwijnt als belangrijkste politieke referentie. De media verkleinen de wereld elke dag meer tot een dorp dat in één oogopslag te overzien is. De globalisering groeit en zoals in de Vlaamse bijdrage aan het rapport van de Wereldcommissie voor de Culturele Ontwikkeling staat, neemt parallel daaraan ‘de noodzaak aan herkenbaarheid en bevestiging van culturele identiteit en verscheidenheid toe’ (2).

Als reactie op de toenemende culturele globalisering tekent zich een tendens van lokalisering af. ‘In het laatste decennium van de twintigste eeuw,’ schrijft Cees J. Hamelinck, ‘zien we ons voor een beslissende culturele keuze geplaatst. We kunnen ervoor kiezen dat het proces van culturele globalisering ongehinderd voortgaat, hetgeen zal leiden tot een wereldcultuur waarin de normen van een inegalitair sociaal Darwinisme gelden. Daartegenover staat een veelsoortigheid van lokale culturele ontwikkelingen die, in interactie met andere lokale evoluties, de basis vormt van die wereldcultuur’ (3).

Om de hoogst mogelijke participatie aan de wereldcultuur te verzekeren, moet eenieder zijn stem kunnen laten horen. Culturele expressie is een sleutelwoord in de verzoening van het lokale met het globale.

Een duidelijk herkenbare vorm waarlangs culturen zich uiten, zijn de kunsten. ‘In de westerse beschavingsgeschiedenis zijn talrijke voorbeelden aan te halen waarbij kunst een rol speelt in de opbouw van een eigen imago voor de samenleving. Spaanse, Franse en Duitse koningen waren trots op hun hofschilders en kunstcollecties, en hechtten groot belang aan de architecturale waarde van hun villa’s, hun meubels en hun tuinen. Kunstwerken waren begeerde voorwerpen bij diplomatieke uitwisselingen. Landen werden beroemd en getaxeerd op het prestige van hun kunstenaars. Deze nationale trots op het eigen patrimonium wordt nu nog uitgedragen door befaamde musea als het Louvre in Parijs, het Prado in Madrid, de Ermitrage in Moskou of de National Gallery in Londen.’ (4).

Kunst staat niet los van de samenleving. Volgens professor René Devisch produceert en herproduceert de kunstenaar door artistieke expressie zijn eigenheid en de culturele bron van waaruit hij is gegroeid. In kunst kan een gemeenschap de eigen culturele identiteit weerspiegeld zien. Het vormt voor de bevolking een dynamiek om de eigenheid te definiëren en te versterken. Het geloof in de eigen wortels is een manier om tegenwicht op te bouwen tegen de mondialisering. Cultuur is hoop en genezing en de kunsten zijn een geprivilegieerde manier om uitdrukking te geven aan cultuur (5).

Kunst is meer dan decor

In het werkveld van wat in de Vlaamse derdewereldsector gemeenzaam de ontwikkelingseducatie wordt genoemd, kunnen kunsten een belangrijke rol spelen. Educatieve werkers kunnen film, literatuur, muziek en theater als hefbomen in hun werk gebruiken. De film Le Franc van de Senegalees D.M. Diop uit 1994 over ‘een kleine man’ die zijn muziekinstrument door zijn huisbaas aangeslagen weet, daarom op de loterij inzet, een winnend lot heeft, maar het helaas aan zijn deur vastkleeft, kan een mooie inleiding vormen op een thema als de economische en monetaire situatie in West-Afrika. Ook romans uit de Derde Wereldsprekersserie van de uitgeverijen Van Gennep/Novib/NCOS zijn dankbare handvaten om rond wereldproblematieken te werken.

Deze werkwijze komt bovendien tegemoet aan de bekommernis om landen in ontwikkeling zélf aan het woord te laten zodat de geest van ‘alwetende (westerse) verlichtheid’, waaraan de ontwikkelingseducatie soms niet vreemd is, meteen ook wordt gemilderd. Vertrekkende vanuit de artistieke en creatieve productie van landen in ontwikkeling, kunnen ontwikkelingseducatoren groeien naar een rol van betekenisbemiddelaars. Zoals Miek Roegiers, algemeen secretaris van Coprogram, terecht opmerkt, zijn esthetische normen en appreciatie ook cultureel bepaald. ‘Waar de samba uit Latijns-Amerika het meteen erg goed deed, reageerde het Vlaamse publiek uitermate koel op Arabische hits. Dankzij het educatieve werk van onder meer niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking (ngo), kwam hierin verandering’ (6).

Peter Verluyten schrijft dat ‘culturele activiteiten’ in het kader van ontwikkelingseducatie verder moeten reiken dan een selectie van kunst uit Afrika. Willen zij het ‘anekdotische’ voorbij, dan vergen zij een ruimere omkadering. In dit opzicht tipt niets aan een authentieke, interpersoonlijke en interculturele uitwisseling die kan zorgen voor diepgang, kans op vertrouwen, verbondenheid en identificatie. Leren gebeurt vooral tussen mensen (7).

De derdewereldsector in Vlaanderen moet interculturele ontmoetingen mogelijk maken om het verschil te overbruggen. Ze moet uit de rijkdom van anderen putten om tot verandering en ontwikkeling te komen. Zoals ook duidelijk wordt uit het verhaal van Fic Van Gestel na afloop van het project Kunst uit Vlaanderen in Senegal, waarbij vier Vlaamse, hedendaagse plastische kunstenaars een tijdlang samenleefden en -werkten met Senegalese collega’s in het plattelandsdorpje Hamdallaye Samba Mbay. In de inleiding op Senegalese Suite, een inventaris van een suite van 40 aquarellen, schrijft hij over dit project: ‘De rechtstreekse artistieke impact van het project is beperkt en niet zo belangrijk. Indrukken, ervaringen en ontmoetingen zijn belangrijker geweest. De artistieke analyse is verruimd en verrijkt. We hebben een deel van ons Westers cultuurimperialisme laten vallen…’ (8).

In dezelfde bijdrage noteert Van Gestel ook dat ‘de kunst van Senegalezen inventief is en dikwijls gebaseerd op recuperatie van gevonden materiaal. Vaak vergelijkt men deze kunst met monumenten uit onze westerse kunstgeschiedenis en dan worden ongenuanceerde clichés gebruikt. Het recupereren bevat geen sociaal commentaar. Er zijn geen stilistische strategieën. Men recupereert vanuit een gemis aan volwaardige basismaterialen, vanuit een artistieke overlevingsreflex…’ (9). Dit is van betekenis voor wat binnen de sector van de ontwikkelingssamenwerking de partnerwerking heet. Als de culturele bemiddeling en de interculturele ontmoeting het éénrichtingsverkeer in de samenwerking helpen doorbreken, blijft het uiteraard van belang dat bijvoorbeeld schrijvers in landen in ontwikkeling daartoe over de materiële mogelijkheden en middelen beschikken. Investeringen in de artistieke en creatieve sector zijn verantwoord. Te meer omdat zij recht doen aan een ontwikkelingssamenwerking zoals die door steeds meer mensen wordt geclaimd en door de Senegalese dichter en kunstenaar Kan-Si veelzeggend samengevat als: ‘je veux vivre, pas survivre!’(10).

Ontwikkelingssamenwerking, waarin men erkent dat duurzame ontwikkeling uitgaat van de mens, onderschrijft dat ‘iemand eten moet hebben om creatief te kunnen zijn, maar ook creatief moet zijn om eten te vinden’ (11). Een dergelijke ontwikkelingssamenwerking erkent cultuur als te integreren in het ontwikkelingsbeleid en geeft daaraan uiting door bijvoorbeeld volksfeesten en cinematografische producties in landen in ontwikkeling financieel te ondersteunen.

Investeren in de culturele sector is geen prioriteit van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Daarentegen worden bijvoorbeeld filmfestivals als Cinema Novo, Focus op het Zuiden en het Afrikafilmfestival van Leuven, die in niet geringe mate bijdragen tot een grotere ontvankelijkheid voor film en cultuur in de ontwikkelingseducatie, volop gesteund door het beleid van Staatssecretaris Reginald Moreels.

Hoopgevend is ook dat de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking in zijn beleidsnota van december 1997 schrijft dat in het sensibiliseringsbeleid in eigen land ‘de ideeën van gelijkwaardigheid en partnership, van wereldwijde verbondenheid en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid maar wortel kunnen schieten als verschillende volkeren en culturen elkaar leren kennen. Dit moet zowel binnen de eigen maatschappij als daarbuiten gebeuren. Daarnaast benadrukt hij dat ‘aan de basis van culturele expressie (via tekst, muziek en beelden) emoties en menselijkheid liggen, die een universele vorm van intermenselijke communicatie toelaten’. Tenslotte zal het ‘sensibiliseringsbeleid grote aandacht schenken aan het op gang brengen en stimuleren van de dialoog tussen Noord en Zuid. Dit kan onder meer door de ontmoeting tussen mensen te bevorderen’ (12).

Hoe de Staatssecretaris deze waardevolle intenties rijmt met bijvoorbeeld zijn recente herschrijving van de reglementering inzake medefinanciering van activiteiten van ngo’s, is echter wel de vraag. Een interculturele ontmoeting vergt de inzet van ontwikkelingseducatoren, brengt kosten met zich mee die administratief thuishoren onder partnerwerking, en vraagt tenslotte om inzet van wat de coöperant heet. Zonder het werk van de uitzendkracht in Dakar waren de bovengenoemde projecten van Vredeseilanden Kunst uit Senegal in Vlaanderen en Kunst uit Vlaanderen in Senegal minder mogelijk geweest. Vertrouwd met de beide betrokken culturen, maakte de coöperant zich in beide gevallen verdienstelijk in het organiseren en het uitbouwen van contacten. Waar bij aanvang van de hervorming van het medefinancieringsstelsel een ‘programmalogica’ een toegenomen integratie tussen activiteiten uit verschillende interventiesectoren liet verhopen, is het duidelijk dat in de definitieve nieuwe reglementen de muurtjes tussen ontwikkelingseducatie, partnerwerking en uitzending overeind blijven. In geval de overheid een interculturele actie van een ngo mede financiert, moet de organisatie heel wat administratief knip- en plakwerk verrichten.

Uitwisseling is een hele kunst

Bij de Vlaamse Gemeenschap leeft sinds kort binnen het Ministerie van Cultuur de vraag naar een nauwere wisselwerking met het culturele werk van ngo’s in landen in ontwikkeling. Zo bestaat een klein gedeelte van het culturele akkoord met Senegal 1997-2002 uit het uitrusten van een audiocentrum. Dit wordt uitgevoerd in samenwerking met Vredeseilanden. Tekens van hoop zijn dus ook op dit niveau en aan deze zijde van ‘cultuur en ontwikkeling’ aanwezig. Wat wel te betreuren valt, is dat naar aanleiding van de meest recente UNESCO-conferentie rond ‘cultural policies in development’ in maart 1998 in Stockholm, geen gekend overleg plaatsvond tussen het Vlaamse Ministerie van Cultuur enerzijds en het Federale Staatssecretariaat voor Ontwikkelingssamenwerking anderzijds. In de reeds eerder in deze tekst geciteerde Vlaamse bijdrage aan het rapport van de Wereldcommissie voor de Culturele ontwikkeling, ‘Cultuur, wortels en vleugels’ wordt nochtans gepleit voor een inclusieve benadering of voor een aanwezigheid van de culturele dimensie in de verschillende beleidsterreinen en in de structuur van de sub-nationale, de nationale, de Europese en de mondiale beleidskringen (13).

Misschien is het een uitdaging voor de niet-gouvernementele derdewereldsector om te ijveren voor een grotere afstemming van het cultuurbeleid op Vlaams niveau op dat van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en vice versa, zoals ngo’s ook zelf een meer systematische dialoog zouden kunnen aangaan met organisaties uit de culturele en interculturele sector. Om te vermijden dat, zoals Jan Cools stelt, ‘hedendaagse kunst uit Senegal vertoond wordt in een etnografisch museum, hetgeen hetzelfde zou zijn als een Panamarenko in het heemkundig museum van Kontich’ (14) is samenwerking met de culturele sector zelfs vereist. Rekening houdend met een toenemende aanwezigheid van het ‘zuiden’ in het ‘noorden’, kunnen ngo’s eigenlijk ook niet meer om de bundeling van krachten met de migrantensector heen.

De integratiegedachte achter de verzoening van het lokale met het globale, kan en zou best doorgetrokken worden naar de praktijk van iedere dag. Vanuit de specificiteit van de culturele, interculturele en ontwikkelingssamenwerkingssector is het mogelijk te komen tot iets dat meer is dan de som van de delen.

Als Gerardo Mosquera, kunstcriticus uit Cuba en sinds kort curator van The New Museum of Contemporary Art in New-York, zegt dat tentoonstellingsmakers de vernieuwde artistieke bewegingen in hun eigen landen (in ontwikkeling) vaak negeren en resoluut voor de Europese avant-garde kiezen, dat de elite kost wat kost wil voldoen aan verwachtingen van het westen (15), dan wordt duidelijk dat op het artistiek-creatieve vlak dezelfde mechanismen spelen als die waartegen ngo’s traditioneel opstaan. De sector van de ontwikkelingssamenwerking heeft wellicht te winnen bij een deling en een bundeling met andere sectoren, zonder daarmee te willen zeggen dat actoren uit de ontwikkelingssamenwerking allemaal kunstcritici moeten worden, en andersom, de cultuurfunctionarissen allemaal specialisten in ontwikkelingssamenwerking.

Noten

1. E. Roossens, Sociale en culturele antropologie, Leuven, Acco, 1997.

2. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Cultuur, Wortels en Vleugels. Vlaamse bijdrage aan het rapport van de Wereldcommissie voor de culturele ontwikkeling (Stockholm 30 maart-2 april 1998), Gent, 1998.

3. Cees J. Hamelink, Culturele identitiet en McDonaldisering, in: Themabundel ontwikkelingsproblematiek nr. 6, Amsterdam, VU uitgeverij, 1995.

4. Ina Vanooteghem, Kunst brengt mensen dichterbij. Het maatschappelijk belang van kunst en cultuur. Eindwerk in het kader van de postgraduate opleiding antropologie, Leuven, 1998.

5. René Devisch, Culturele bemiddeling en economische mondialisering, in: Monografieën over interculturaliteit nr. 1, EPO-CIMIC, Antwerpen, 1997.

6. Miek Roegiers, 1998: Toespraak op de studiedag Glokale Kunst in Vlaanderen te Antwerpen op 21 maart 1998.

7. Peter Verluyten, Het anecdotische voorbij. Onderzoek naar de mogelijkheden en de beperkingen van een culturele aanpak in de ontwikkelingseducatie. Verhandeling aangeboden tot het verkrijgen van de graad van Licentiaat in de Pedagogische Wetenschappen, Leuven, 1996.

8. Fik Van Gestel, Hamdallaye. Senegalese Suite. Inventaris van een suite van 40 aquarellen, Fik Van Gestel en Vers a Versa, 1996.

9. Fik Van Gestel, ibidem.

10. Kan-Si, 1998: Toespraak op de studiedag Glokale Kunst in Vlaanderen te Antwerpen op 21 maart 1998.

11. Marc Colpaert, 1997: Toespraak op de dialoog- en presentatiedag Vredeseilanden en cultuur, een beleid in wording te Leuven op 6 juni 1997.

12. Beleidsplan voor de Belgische internationale samenwerking. Goedgekeurd door de Ministerraad van 19 december 1997.

13. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ibidem.

14. Jan Cools, 1997: Toespraak op de dialoog- en presentatiedag Vredeseilanden en cultuur, een beleid in wording te Leuven op 6 juni 1997.

15. Gerardo Mosquera, Some problems in Transcultural Curating, in: Global Visions towards a new internationalism in the visual arts, Kala Press, London 1994, 175 pp.

Tie Roefs is stafmedewerkster van de derdewereldorganisatie Vredeseilanden-Coopibo

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2540   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift