Een 'nieuw protectionisme'

De WTO is de opvolger van het General Agreement on Tariffs and Trade, GATT, dat de regels van de wereldhandel vastlegde en de afschaffing beoogde van toltarieven en van andere handelsbelemmeringen. De WTO beschikt over een mondiale uitvoerende macht die oordeelt over de wijze waarop een land de WTO-regels nakomt, sancties voorziet om de regels te doen naleven en de legislatieve bevoegdheid bezit om de regels uit te breiden.
De Wereldhandelsorganisatie, voorvechter van de mondialisering

Er bestaat in de WTO geen mechanisme waardoor de betrokkenheid van de NGO’s wordt gegarandeerd. De WTO vereist dat al haar leden zich gebonden weten door haar regels en dat de wetten van elke lidstaat aangepast worden aan de WTO en aan de andere lidstaten. Zij die de naïeve hoop koesterden dat de WTO-regels zouden zorgen voor een rechtvaardiger internationaal handelssysteem hebben na de eerste Ministeriële Conferentie van de WTO in Singapore, december 1996, met spijt ingezien dat ze het verkeerd voor hadden. De rijke landen hebben er de bevoegdheidsgrenzen van de WTO uitgebreid tot handel en investeringen en tot concurrentiebeleid en regeringsbestedingen. Volgens Third World Network, een overkoepelende vereniging van derdewereld-NGO’s, ‘worden de ontwikkelingslanden daardoor in een nadelige positie geplaatst en zijn ze niet gewapend om zich ertegen te verdedigen’.

De ontevredenheid over de WTO wordt dikwijls uitgedrukt in de horrorverhalen over de weerslag van de organisatie (voorbeelden hiervan kan men verder vinden in de sectie ‘WTO - voorvechter van de mondiale handel en bedreiging voor het milieu’). Aan die verhalen verbindt men dan een pleidooi om sociale en milieuclausules te hechten aan de WTO-regels. Men vergeet bij deze aanpak dat de grondgedachte van de organisatie erin bestaat, alle belemmeringen van de vrijhandel te verwijderen. De hoop dat de slecht toegepaste normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) nu door de WTO zullen worden toegepast of dat de handel ingetoomd zal worden om het milieu te beschermen, staat haaks op de vrijhandelstheorieën die aan de basis liggen van al de reeds geldende en nog voorziene maatregelen van de WTO. Het is alsof men zou pogen een tijger vast te binden met een paar lappen katoen.

Het waarom van deze zwakke benadering schuilt in het feit dat de meeste drukkingsgroepen weinig nagedacht hebben over een mogelijk alternatief voor de globalisering. Ze concentreren hun actie op de negatieve gevolgen van de vrijhandel en stellen onmogelijke eisen voor effectieve sociale en milieuclausules. Ze vallen zelden de kern van de zaak aan en reiken ook geen overkoepelend alternatief aan dat de sociale condities verbetert, de ongelijkheden vermindert en het milieu op doelmatige wijze beschermt. Om dit debat op gang te brengen stelt deze bijdrage een ‘Nieuw Protectionisme’ voor, om ‘het lokale wereldwijd te beschermen’.

Maar eerst is het nodig de idee te verwerpen dat vrijhandel op de een of andere manier deze doelstellingen kan verwezenlijken. Als deze grondige mentaliteitsverandering eenmaal is doorgedrongen, kunnen de politiek actieve burgers beginnen hun veelvuldige eisen naar voren te brengen in de nieuwe overkoepelende context van ‘bescherm het lokale, wereldwijd’. Indien die acties succes kennen, wordt het mogelijk dat een meerderheid van landen van de grote handelsblokken in de wereld die radicaal andere doeleinden beginnen na te streven. Alleen dan kunnen de huidige regels van de WTO veranderd worden door haar machtigste lidstaten. De vrije handelaars zullen dan beschikken over een Algemene Overeenkomst over een Duurzame Handel.

De mythe van de voordelen van de globalisering

Globalisering is het proces waarbij het neerhalen van de handelsbelemmeringen in goederen en diensten en het wegvallen van de beperkingen op kapitaalstromen over de hele wereld geleid hebben tot een enorme toename van het handelsvolume en van het Bruto Nationaal Inkomen (BNP). Die mondiale economie met vrijere handel wordt meestal beschreven als een spel waarbij iedereen wint. De economieën van alle deelnemers groeien als alle landen die goederen produceren waarin zij goed zijn en de producten invoeren waarin zij zelf minder sterk zijn. Economisten noemen dat: comparatief voordeel. Hoewel toegegeven wordt dat dit proces nadelig is voor laaggeschoolde arbeiders in industrielanden - lagere lonen en werkloosheid - stelt de theorie dat de groei van de economie hun werk zal bezorgen in andere sectoren. De ontwikkelingslanden zouden hun voordeel vinden in zo laag mogelijke exportprijzen; de groei die daaruit volgt sijpelt dan stilaan door tot de hele bevolking. Die theorieën zijn helaas niet te rijmen met de praktijk. De waarheid is dat samen met de stijgende BNP-statistieken en beurswaarden de ongelijkheid overal is toegenomen, de sociale en ecologische situatie is verslecht en de soevereine staten en lokale besturen een deel van hun macht hebben moeten afstaan aan de belangen van de multinationals en van het internationale kapitaal.

Men heeft gezegd dat ‘vrijhandelaars geloven in een happy end, niet alleen in Disneyland, maar in de hele wereld’. Voor meer en meer mensen wordt dit sprookje een nachtmerrie. Mondialisering is wenselijk noch onvermijdbaar en omdat het verzet ertegen internationaal in stijgende lijn gaat, wordt de roep voor een andere economie met een ander doeleinde almaar sterker.

Multinationals en kapitaal, de machten achter de troon van de vrije markt

Zevenenveertig van de top honderd economieën in de wereld zijn multinationals (MNO’s); 70% van de mondiale handel wordt gecontroleerd door vijfhonderd bedrijven en 1% van de MNO’s staat in voor de helft van de totale, directe buitenlandse investeringen (DBI) in de wereld. De opgang van de MNO’s is spectaculair. In 1970 waren er 7.000, begin 1990 reeds 37.000, waarvan 24.000 hun thuisbasis hebben in de veertien grootste OESO-landen (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Toch stellen die machtige bedrijven slechts 73 miljoen mensen tewerk (15 miljoen daarvan in ontwikkelingslanden), wat goed is voor 2 of 3 percent van de totale tewerkstelling; dit kan gaan tot 5 percent als men de onderaannemers meerekent.

De schaalvergroting en uitzwerming van de MNO’s gaan samen met een massale toename van de kapitaalstromen rond de wereld. De ontwikkelingen van de computer- en informatietechnologie en de afschaffing van de staatscontrole op het kapitaal hebben ertoe geleid dat dagelijks 2.000 miljard dollar in de wereld circuleert.

In de jaren zeventig domineerden de grote banken de markt, omdat zij de financiële macht en de nodige connecties bezaten om grote geldtransfers te doen langs netwerken van buitenlandse banken. Maar toen de kapitaalbehoefte in de jaren tachtig opliep, vonden de MNO’s een goedkopere weg om kapitaal te werven. Om aan het nodige geld te geraken begonnen ze obligaties en andere soorten waardepapieren uit te geven.

Die groei heeft een reorganisatie van MNO’s en banken teweeggebracht: ze hebben hun formele thuisbasis in Europa, in de VS of in Japan, maar ze worden hoe langer hoe meer staatloos en zwaaien met vele nationale identiteiten en loyauteiten om hun mondiale concurrentiekracht te versterken.

In feite heeft er een massale verschuiving van de macht plaatsgegrepen: van de democratisch gekozen regeringen naar de MNO’s en de banken. De vrijemarkttheologie, ondersteund door het aanhoudende sacrale gezang dat er geen alternatief bestaat voor de internationale concurrentie, wordt geconcretiseerd in vrijhandelsovereenkomsten. Dit betekent dat MNO’s en banken hun productieplannen, hun kapitaal, hun technologie, hun goederen en diensten over de hele wereld kunnen verplaatsen met hoe langer hoe minder bemoeienis van de staten. Dat alles gebeurde natuurlijk niet bij toeval.

Internationale concurrentie, het overkoepelend probleem

Het globaliseringsproces is de jongste drie decennia voortgestuwd door ‘s werelds vooraanstaande bedrijfsleiders en regeringselites die elkaar geregeld ontmoetten in forums zoals de ‘Council on Foreign Relations’ en de Trilaterale Commissie. Ze maakten geheime afspraken over een gemeenschappelijke aanpak: mondiale economische integratie, deregulering en een economische filosofie van vrijhandel en internationale competitie. Ze hebben hun gewicht gezet achter vrijhandelsakkoorden zoals de Uruguay-ronde van de GATT en achter de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (een initiatief van de Internationale Handelskamer); achter NAFTA, het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord (gepromoot door de VS -Bedrijfsrondetafel die de belangen van MNO’s, van de grote banken en verzekeringen vertegenwoordigt en door de Canadese evenknie, de ‘Business Council on National Issues’) en in Europa achter de gemeenschappelijke markt en munt (langs de Europese Rondetafel van Industriëlen).

De Wereldhandelsorganisatie, voorvechter van mondiale vrijhandel en bedreiging voor het milieu

Verborgen in de minder gelezen financiële rubrieken van sommige bladen kan men een onrustwekkend aantal verhalen vinden over een weinig bekende bedreiging voor het milieu. Het gaat over recente beslissingen van de WTO, de pionier van de vrije markt die voortdurend de milieubeschermingswetten ondermijnt. Onlangs echter kwamen die WTO-maatregelen breder aan bod in de media wegens de onmenselijke WTO-beslissing over de bananeninvoer naar Europa. Europa wordt gedwongen zijn preferentiële aankoop bij bananenexporteurs uit vroegere kolonies, zoals de Caraïben, stop te zetten. De meerderheid van die exporteurs zijn kleine boeren die hun bananen organisch telen, wat de vruchten duurder maakt dan de intensieve productiemethodes, gebruikt op de plantages van Latijns-Amerika.

De verontwaardiging, verwekt door het feit dat vele producenten in deze kleine voormalige kolonies hun broodwinning zullen verliezen, heeft de media er eindelijk toe gebracht de prioriteiten van de WTO in de schijnwerper te plaatsen. In dit concrete geval treedt de WTO op als een agent voor het maximaliseren van de winst van de grote bedrijven die de Latijns-Amerikaanse plantagebananen vol pesticides op de markt brengen. De VS, die geen bananen exporteren, legden de kwestie voor in naam van Chiquita Brands, die een groot exporteur van Latijns-Amerikaanse bananen is. De dag nadat de VS de klacht aan de WTO voorlegden, betaalde Chiquita 500.000 $ aan de democratische partij. Carl Lindner, de baas van de multinational werd voor deze genereuze geste beloond met een koffietje ten huize Clinton en met een nacht in de Lincolnsuite van het Witte Huis.

Nog andere recente WTO-maatregelen zijn sterk anti-ecologisch getint. In januari 1996 stemde de WTO in met de klachten van Venezuela en Brazilië tegen de ‘Clean Air Act’ van de VS-dienst voor milieubescherming. De regelgeving voor gasolinevervuiling werd geacht discriminerend te zijn voor de meer vervuilende raffinaderijen van Venezuela en Brazilië. Daar WTO-uitspraken gevolgd worden door boetes of door handelssancties als men er geen gehoor aan geeft, kondigde de VS-milieudienst in mei 1997 aan dat de ‘Clean Air Act’ gewijzigd zou worden volgens de WTO-beslissing. Daardoor komt de markt open voor uitvoer door ‘Petroleos de Venezuela’, een Venezolaanse multinational in staatseigendom, die toevallig 6.000 afvoerpijpen bezit op de Oostkust van de VS.

Ook in mei 1997 bepaalde de WTO dat het verbod van de Europese Unie (EU) op invoer van vlees geproduceerd met kunstmatige groeihormonen, illegaal was. De WTO zei dat dit tegen de internationale handelsregels inging, omdat er onvoldoende wetenschappelijke bewijzen waren dat het gebruik van die hormonen de gezondheid in gevaar bracht. Een gelijksoortige redenering zal waarschijnlijk toegepast worden op het EU-verbod tegen somatropin voor runderen (BST), een hormoon dat de melkproductie opdrijft. Deze klacht is door de VS-regering aangebracht namens het chemische reuzenbedrijf Monsanto. Het bedrijf heeft een patent op BST en zal waarschijnlijk een profijtje van een half miljard dollar opstrijken als de EU-markt opengaat. Interessant om weten is dat eigen onderzoek van Monsanto aangetoond zou hebben dat het gebruik van BST uierinfectie veroorzaakt. Onafhankelijke experts ontdekten dat BST de vetconcentratie van de melk verhoogt en het proteïnegehalte vermindert, en dat het de besmettende stof IGF-1 bevat, die als een risicofactor beschouwd wordt voor borst- en wervelkolomkanker, vooral bij jonge kinderen.

De WTO onderzoekt ook een klacht tegen de VS-wet die de invoer van garnalen beperkt uit landen waarvan de vissers werken met methodes die jaarlijks duizenden schildpadden verdrinken. Thailand, India, Maleisië en Pakistan hebben de klacht ingediend, en hebben de steun gekregen van ‘the National Fisheries Institute’, de VS-club voor importeurs, handelaars en vermarkters. Er is nog geen beslissing gevallen, maar de voortekens zijn slecht. Het VS-schildpaddenverbod gelijkt op het VS-embargo op tonijnvangst met methodes die dodelijk zijn voor dolfijnen. De WTO heeft bij herhaling geoordeeld dat dit laatste embargo de handelsregels schendt.

Deze voorbeelden tonen aan hoe de WTO-aanpak van ‘handel ten koste van alles’ en de belangen van de grote bedrijven het milieu bedreigen. De vraag is wat milieu-, ontwikkelings- en consumentengroepen daartegen moeten doen. Zoals gezegd hebben ze totnogtoe vooral gewerkt met een geval per geval aanpak, door publieke verontwaardiging te wekken tegen een of ander WTO-horrorverhaal. Anderen hebben getracht milieu-excessen in te tomen door een impotent ‘Comité voor Handel en Milieu’ aan de WTO toe te voegen. In feite gaan de zaken een heel andere richting uit. De WTO-handelsregels en de politieke prioriteiten van de regeringen zijn meer en meer gericht op wat de grote zakenwereld wil: alle economieën dwingen voortdurend meer internationaal concurrentieel te worden.

Dat rijmt echter niet met een adequate bescherming van de burgers en van het milieu wereldwijd, want die bescherming vraagt beperkingen van de handel. Wat we nodig hebben is een verregaande afschaffing van de vrijhandelsregels en een drastische beperking van de wereldhandel. Het is hoog tijd voor een grondige aanval op de mentaliteit van ‘de markt über alles’. Deze slogan zou alle groepen die de WTO-beslissingen bestrijden, moeten verenigen en een eerste eis formuleren die de strijd doet keren in het voordeel van de militanten. Anders blijven ze alleen edele achterhoedegevechten leveren, symptoom per symptoom en nederlaag na nederlaag.

‘Bescherm het lokale, wereldwijd’: de overkoepelende oplossing

Het zevenpuntenplan van ‘Protect the local, Globally’ wil de economieën wereldwijd beschermen, verbeteren, heropbouwen en diversifiëren om de lokale zelfredzaamheid zo groot mogelijk te maken. Wat houdt dit beleid in?

Het is een alternatief voor de vrijemarktpolitiek die vandaag de economische en politieke denkwijze domineert. Een nieuw einddoel en een beleid om ‘het lokale wereldwijd te beschermen’ willen het defaitisme overwinnen dat ervan overtuigd is dat er geen alternatief bestaat voor het vrijemarktbeleid. De kern van de zaak is, naties en gemeenschappen toe te laten hun lokale economieën weer in handen te nemen en ze zo gevarieerd mogelijk te maken. Het nieuwe beleid treft maatregelen die een overgang maken tussen de huidige situatie, waar elke economie poogt alle andere economieën te beconcurreren, en een toestand waar goederen en diensten die plaatselijk voorhanden zijn, ook plaatselijk gebruikt worden.

Eerst nog een verduidelijking. ‘Protect the Local, Globally’ is niet tegen handel en ook niet autarkisch (d.i. geheel zichzelf bedruipend). De bedoeling is te komen tot een maximum van lokale handel tussen gevarieerde en duurzame lokale economieën en een tot minimum van langeafstandshandel. ‘Lokaal’ verwijst hier naar een deel van een land, en ‘regionaal’ naar een geografische groepering van landen.

Import- en exportcontroles

Controlemaatregelen, zoals toltarieven en quota’s, moeten geleidelijk worden ingevoerd op nationaal of regionaal vlak, om lokale gemeenschappen en landen toe te laten voedsel, goederen en diensten zoveel mogelijk zelf te produceren. Al wat niet nationaal geleverd kan worden, moet binnen de regio aangekocht worden. Langeafstandshandel is de laatste mogelijkheid.

Controles op multinationals

Activiteiten van MNO’s moeten weer onder regeringscontrole komen. De toegang tot de markt is afhankelijk van de regel ‘zich hier vestigen om hier te verkopen’. Deze regel is in sommige sectoren van toepassing voor een provincie in een staat, in andere sectoren voor een heel land en als het gaat over zeer grote industrieën, zoals de vliegtuigbouw, voor een regio zoals Europa. MNO’s moeten worden opgedeeld (zie concurrentiebeleid), ze moeten doorzichtiger worden en meer onderworpen aan het toezicht van aandeelhouders. Een wetgeving op bedrijven en op hun boekhoudingen dient de prijsbepaling van transfers onder controle te brengen en het overhevelen naar het buitenland van bedrijfswinsten en van persoonlijk bezit te regelen.

Kapitaal lokaal bewaren

Door het afschaffen van de handelsbelemmeringen en door de ongeremde internationale kapitaalstroom hebben de nationale regeringen minder en minder controle over hun economische situatie. Het geld vliegt nu vrij de wereld rond; in de plaats daarvan moet er controle komen op banken en op pensioen-, verzekerings- en investeringsfondsen om ervoor te zorgen dat fondsen in de eerste plaats geïnvesteerd worden daar waar ze zijn voorgebracht of waar ze het meest nodig zijn. Dat is een politiek van ‘investeer hier om hier welvaart te scheppen’.

Democratische controle over het kapitaal wordt beschouwd als de sleutel die aan regeringen en gemeenschappen het geld bezorgt om de ecologische en sociale situatie te verbeteren en om werkgelegenheid te scheppen. We hebben een Europese Tobin-taks op internationale kapitaaltransacties nodig om de geldspeculanten af te remmen en de regelgeving op het financiële kapitaal moet in Europa opnieuw worden ingevoerd. Die regelgeving omvat controles op kapitaalstromen, taksen op speculatieve kortetermijntransacties en het beperken van gemakkelijk krediet dat speculanten toelaat ‘weddingen’ te plaatsen ver boven het eigen kapitaal dat zij bezitten. In Europa moet een gecoördineerde actie worden gevoerd tegen de belastingontwijking van bedrijven, ook in de ‘off-shore’ bankcentra. Ook regulering van bedrijfsinvesteringen is belangrijk, zodat rekening gehouden wordt met de wensen van de betrokken bevolking. De omvang van ondernemingen dient beperkt te worden en er is behoefte aan een wetgeving op het herinvesteren voor de gemeenschap.

Concurrentiebeleid

Er moet een procentuele grens bepaald worden voor het marktaandeel van een vennootschap, en nieuwe firma’s moeten door schenkingen, leningen en subsidies aangemoedigd worden op de markt te komen. Dat scherpt de lokale concurrentie aan, die nodig is om impulsen te geven tot betere producten, tot een efficiënter gebruik van hulpmiddelen en tot meer keuzemogelijkheden. Overdracht van informatie en van technologie moet wereldwijd aangemoedigd worden om de doelmatigheid van de lokale concurrentie te verbeteren.

Zo groot mogelijke decentralisatie van politieke macht en van democratische aansprakelijkheid

Een gevarieerde lokale economie is bijna vanzelf democratisch, want om te werken moet ze een beroep doen op de inzet van vele mensen. Die ruime economische inzet gaat hand in hand met een brede politieke en democratische controle en met aansprakelijkheid op lokaal vlak.

Handel en hulp voor zelfredzaamheid (self-reliance)

De GATT-regels die nu door de WTO worden toegepast, moeten worden hervormd tot een ‘Algemeen Akkoord over Duurzame Handel’, beheerd door een ‘Duurzame en Rechtvaardige Wereldhandelsorganisatie’. Beleid en geldstromen voor ontwikkelingshulp, overdracht van technologie en de overblijvende internationale handel dienen de regels van ‘rechtvaardige handel’ te volgen, zodat ze ertoe bijdragen duurzame lokale economieën op te bouwen. Het einddoel is een maximale tewerkstelling te bevorderen door duurzame regionale zelfredzaamheid.

Het milieu beschermen

Taksen op hulpmiddelen zullen de radicale economische overgang helpen bekostigen; ze zijn voordelig voor het milieu en politiek haalbaar. De concurrentie tussen regio’s die zulke taksen niet hebben, kan vermeden worden door het herinvoeren van toltarieven en controles. Voor het milieu in het algemeen betekent de herwaardering van het lokale, minder lange-afstandvervoer, minder energieverbruik en dus minder vervuiling. Kwalijke milieu-effecten zullen plaatselijk ervaren worden, wat de pressie voor meer controle en betere normen zal opvoeren.

Door dat systeem zal het milieu beter beschermd worden dan door pogingen om lichte milieubeperkingen toe te voegen aan de liberalisering van de handel. De absolute noodzakelijkheid om internationaal concurrentieel te zijn die in het huidige systeem ingebakken zit, leidt onvermijdelijk tot het opofferen van gepaste plaatselijke maatregelen van milieubescherming, want die worden geacht de concurrentiepositie van het land te ondermijnen. De handige manier waarop de industrie dit argument gebruikt om een relatief onschuldige toename van de energietaks te blokkeren in de EU, in de VS en in Japan, bewijst deze gang van zaken.

Op dit ogenblik heeft de negatieve impact van het vrijhandels- en globaliseringsproces tot gevolg dat het gevoel van onveiligheid bij de meerderheid van de bevolking ontwikkelt tot een soort van ‘vrijemarktfascisme’. De hoop en de zekerheid die het proces ‘Bescherm het lokale, wereldwijd’ bieden, kunnen ertoe bijdragen dat de situatie, die nu leidt tot de opkomst van uiterst rechts, kan gekeerd worden.

Waarom Europa een sleutelrol kan spelen

Europa is groot genoeg om deze radicale veranderingen op te leggen aan MNO’s, aan geldspeculanten enz. Het kapitaal en de big business kunnen het zich niet permitteren een politiek stabiele groepering van 350 miljoen rijke consumenten links te laten liggen. Indien de Europese parlementsleden samen met de ecologische en sociale bewegingen de veranderingen van ‘Protect the local, Globally’ zouden ondersteunen als een voorwaarde tot het realiseren van hun specifieke einddoelen, dan zouden zij opnieuw de successen kunnen boeken die ze de jongste jaren zo sterk ontberen. Deze maatregelen zouden ook toelaten de lokale economieën en de tewerkstellingsbasis van Europa te herstellen en ze kunnen zelfs de meerderheid van de burgers ertoe bewegen pro-Europees te worden.

Indien dit debat bijvoorbeeld in Europa zou beginnen, dan is het zeer belangrijk dat het ook navolging zou vinden in alle regio’s van de wereld en dat dit nieuwe beleid mondiaal opgang zou kunnen maken. De rest van deze eeuw en de volgende eeuw zal politiek beheerst worden door de gapende kloof tussen verdedigers van de globalisering en aanhangers van het lokale. Om de conflicten tussen het lokale en het globale aan te pakken zijn er fundamentele veranderingen nodig en is de actieve participatie vereist van alle politici en van de bewuste burgers. Er heerst vandaag een gevoel van onveiligheid dat zo sterk is als in de jaren dertig en waaraan doelmatig gewerkt moet worden, anders kan de geschiedenis zichzelf herhalen. Denken wij maar aan het kille pragmatisme van Mussolini: ‘Fascisme is…geen doctrine die op voorhand in detail uitgewerkt was; het is geboren uit behoefte aan actie.’

Betekenis voor Europa

Europa moet streven naar het einddoel van sterkere, meer diverse, lokale economieën met hoge ecologische, sociale en democratische normen. Die radicale streefdoelen zijn cruciaal als we de huidige destructieve tendensen willen ombuigen waarbij de machtsconcentratie in Brussel de nationale democratie ondermijnt en de big business enorm bevoordeelt tegenover de sociale bewegingen. Deze laatste staan lokaal en nationaal sterk, maar zijn betrekkelijk zwak op Europees vlak.

De meest fundamentele noodzaak is wel het verwerpen van de internationale competitie, die de economische overheersing van de MNO’s in de hand werkt. Meer mensen moeten wakker worden en de Europese agenda die door de MNO’s bepaald wordt, in vraag durven stellen, anders wordt de toekomst meer en meer door de grote bedrijven bepaald. De eenheidsmunt – en de negatieve gevolgen die eraan verbonden zijn - is slechts één voorbeeld van deze trend. Die ecologische en sociale bedreigingen zijn natuurlijk niet beperkt tot Europa. De tentakels van de globalisering leiden over de hele wereld tot meer ongelijkheid, tot afbraak van het milieu en tot het afremmen van sociale en groene campagnes.

Een eerste voorwaarde om Europa ertoe te bewegen het lokale te beschermen, is een grondige mentaliteitsverandering, waarbij aanvaard wordt dat:

1) de vrije markt slecht is voor Europa;

2) het dom is altijd meer internationaal competitief te willen zijn, omdat dit sociaal, economisch en ecologisch verlammend werkt;

3) het einddoel van het Europese beleid moet zijn, de lokale economie hier en wereldwijd te beschermen en te verbeteren.

Hoe in Europa een ‘Protect the Local’ beweging van de grond krijgen?

De politieke steun voor deze benadering zal groeien naarmate er meer weerwerk geboden wordt en naarmate volgende tendensen duidelijker worden:

- de financiële en arbeidsonzekerheid, voornamelijk bij de middenklasse, die voorheen wél een zekerheid bezat;

- de bezorgdheid bij het lokale bedrijfsleven en kapitaalbezit over de daaruit voortvloeiende daling in de consumptie;

- de negatieve gevolgen van de Structurele Aanpassingsprogramma’s van de eenheidsmunt;

- de groeiende overtuiging van de politieke militanten en van de NGO’s dat ze nooit hun einddoel zullen bereiken zolang de landen gedwongen worden internationaal competitief te zijn;

- contacten met mensen in andere delen van de wereld die hun eigen ‘Protect the Local’ beleid ontwikkelen, maken dat de Europese ‘Protect the Local’ deel uitmaakt van een internationale beweging;

- politici gaan beseffen dat ‘Protect Europe’ de enige weg is om verkozen te worden, omdat zo de wind uit de zeilen wordt genomen van extreem-rechts, dat de groeiende onveiligheid wil bestrijden door aan het volk zondebokken voor te stellen.

Verschillen tussen het oude en het nieuwe protectionisme

Tegen het nieuwe protectionisme van ‘Protect the Local, Globally’ worden een aantal argumenten aangehaald:

- De wereld leeft van de internationale handel en de landen krijgen de weerslag als die vermindert

Dit argument ontwijkt de belangrijke vraag: welk soort handel? Onder druk van de internationale handel gaan er vandaag de dag banen verloren, worden de wetten op lonen en op sociale en ecologische bescherming afgeschaft, wordt de controle van de regering over de economie beperkt en zo de waarde van de democratie ondermijnd.

- Gebrek aan competitie is inefficiënt

Hier wordt beweerd dat de consumenten erbij verliezen als de bedrijven beschermd worden. Dat niemand dure en minderwaardige goederen en diensten wil. Dat concurrentie de gesel van de ondoelmatigheid is.

Men gaat ervan uit dat grote bedrijven met elkaar om de gunst van de consumenten wedijveren, maar in feite hebben ze zoveel macht dat ze dikwijls een monopoliepositie verwerven. Door de markten meer lokaal af te lijnen, wil ‘Protect the Local, Globally’ de positieve aspecten van de concurrentie bewaren en bevorderen: aansporen om tegen lage kosten te werken, om betere ontwerpen te maken, om de hulpmiddelen efficiënter te gebruiken. Minder concurrentie van landen die lakser omspringen met lonen, werkomstandigheden en milieuwetten, zal deze normen versterken. Hoewel de langeafstandhandel van goederen en diensten beperkt zal worden, is het cruciaal dat de internationale doorstroming van nieuwe informatie en van relevante technologie niet wordt gehinderd als die bijdraagt tot de doeleinden van ‘Protect the Local, Globally’.

- Geen enkel land kan op zichzelf voort, zelfs als dat wenselijk zou zijn

Sinds het wegvallen van het ‘Exchange Rate Mechanism’ (vaste wisselkoersen), kennen alle Europese regeringen de macht van de globale financiële markten maar al te goed. De chaos bij de eens onaantastbare Aziatische tijgers heeft aangetoond dat die waarheid wereldwijd geldt.

Een beleid van ‘Protect the Local, Globally’ bereikt men niet door een politiek van autarkie of van ieder voor zich. Dat beleid kan er alleen komen als de landen van de sterkste blokken in de wereld, zoals de Europese Unie of Noord-Amerika, er achter staan. Alleen zij hebben een markt die groot en sterk genoeg is om hun condities op te leggen aan het internationaal kapitaal en aan de MNO’s. Als dat debat in die landen op gang komt, zal het vlug overgenomen worden in de andere regio’s. In elk geval zien we dat zowel in de gevestigde als in de nieuwere handelsblokken (ASEAN, MERCOSUR enz.) de intraregionale handel immer belangrijker wordt, wat de overgang naar lokale markten vergemakkelijkt.

- Een bolwerkeconomie in Europa of Noord-Amerika zou onrechtvaardig zijn tegenover de armen van de Derde Wereld, die van de handel afhangen om uit hun armoede te geraken

Een handvol derdewereldeconomieën, vooral uit Azië, domineren de handel met de OESO-landen en krijgen het grootste deel van de directe buitenlandse investeringen van de OESO. Zij zouden in vijf tot tien jaar de overgang kunnen maken naar een ‘Protect the Local’ beleid door die handel te vervangen door intraregionale handel. De rest van de ontwikkelingslanden en ook de meeste Oost-Europese landen worden door het huidige systeem gedwongen hun economieën te ontwrichten om zeer goedkope exportartikelen te produceren, meestal in concurrentie met andere arme landen. De concurrentie stelt niet alleen de arme arbeiders tegenover rijke, maar ook arme tegenover arme. Daardoor worden middelen onttrokken aan de basisbehoeften van de arme meerderheid van die landen. De grote uitdaging is niet, de spiraal van meedogenloze concurrentie op te drijven, maar wel de regels van Hulp en Handel drastisch te herschrijven, zodat die de opbouw en de diversificatie van de lokale economieën wereldwijd kunnen ondersteunen.

- ‘Protect the Local, Globally’ zal in de kaart van de rechtse nationalismen spelen

Momenteel scheppen de negatieve effecten van de globalisering bij de meerderheid een gevoel van onveiligheid, wat leidt tot een groei van het ‘vrijemarktfascisme’. Alleen de hoop en de zekerheid die het nieuwe protectionisme van ‘Protect the Local, Globally’ schenkt, kan een einde maken aan de onveilige situatie die de opgang van dit afschuwelijke nationalisme in de hand werkt.

- Protectionisme heeft gefaald in de jaren dertig en is mislukt in alle communistische landen

In 1930 ging het over een nationalistisch protectionisme dat de machtigen wou beschermen. Het doel van elke beschermde industrie of natie was de eigen economische macht te vergroten om concurrentie te voeren ten nadele van de anderen. Hoe meer landen op die manier handelden, hoe minder handel er tussen hen was.

De pogingen tot het opzetten van een gesloten economie door de communistische regimes hebben niets te maken met ‘Protect the Local, Globally’. Hier zullen de interne concurrentie en de internationale doorstroming van ideeën en technologie er immers voor zorgen dat de stagnatie en de milieudegradering, die zo dikwijls voorkwam in communistische landen, vermeden worden.

De doeleinden verschillen: handel met andere landen kan beperkt worden in de mate dat goederen en diensten ter plaatse voortgebracht worden. De globalisering verwekt een neerwaartse spiraal naar een geringere diversiteit van de economische activiteit binnen elk land, wat de ene arbeider tegen de andere opzet en het levenspeil van het ene land uitspeelt tegen dat van de andere landen.

De auteur is coördinator van ‘Protect the Local, Globally’, een in Londen gevestigde ‘denktank’ die het lokale promoot en tegen de vrijhandel ageert. Samen met Tim Lang schreef hij ‘The New Protectionism - Protecting the Future against Free Trade’, Earthscan, London, 1998. Dit artikel is uit het Engels vertaald door Bob Hendrickx.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift