Expeditie Madagaskar

De tijd dat heroïsche ontdekkingskaravanen het Afrikaanse binnenland in kaart brachten, ligt ver achter ons. Dachten wij. Tot Tineke Van der Eecken onderstaande reportage afleverde. Een greep uit het logboek van een 21ste eeuwse traverse doorheen oerwouden en bergketens in het hartje van Madagaskar, op zoek naar ertsen en mineralen.
  • Tineke Van der Eecken Een greep uit het logboek van een 21ste eeuwse traverse doorheen het hartje van Madagaskar Tineke Van der Eecken
Zeven dagen al zijn we onderweg. Via Londen, Parijs, Antananarivo en Sambava, met het vliegtuig. Het laatste toestel was een Antonov met losgeslagen klaptafeltjes en ongelijk lopende motoren. Op de markt in Sambava –een stad in het noordoosten van het eiland– kopen we nog vijf kilo ajuin, vijf kilo tomaten, zes gigantische aubergines, twee pompoenen, 84 eieren verpakt in eierdozen en stro, twee kilo rundsvlees om te drogen in zout, vers varkensvlees en brood. Vanaf Sambava reizen we verder met Théogène Randriamananjara en de rest van het karteerteam, met een 4x4.
De kaarten worden uitgerold, bevingerd. De Fransen, die Madagaskar van 1896 tot 1960 koloniseerden, produceerden kaarten van vrijwel het hele gebied, maar hielden blijkbaar informatie achter. De minerale rijkdom van Madagaskar beperkt zich niet tot goud en edelstenen. Er zijn ook industriële grondstoffen zoals titanium, ijzererts, nikkel, bauxiet en steenkool te vinden.
Bovendien is het land rijk aan petroleum en gas. De mijnbouwsector was onbelangrijk, tot de overheid in de jaren negentig in zee ging met de Wereldbank. Grote investeerders zoals Rio Tinto dienen zich nu aan en de export is sedert 2000 gestegen van 18 naar 28 miljoen euro. De overheid hoopt dat de mijnbouw tegen 2015 voor 30 procent van het bnp zal zorgen, tegen nauwelijks 7 procent vandaag. Onze expeditie moet daartoe bijdragen.

23 oktober. Tzinzorano-Amboangibe (21 km)


Vier uur ’s ochtends. Ik zit onder de muggenbeten en mijn luchtmatras is plat. Ik ben geradbraakt en de tocht moet nog beginnen. De koks gooien een paar lege rijstzakken op de grond en dienen ontbijt op. Papperige, smaakloze rijst waarvan onze Malagassische collega’s grote bergen opscheppen, die ze versieren met gebraden varkensvlees. Verder zijn er frietjes, omelet, brood, een halve bol kaas, ontbijtgranen en sinaasappels. Energie voor de tocht. Op de achtergrond hoor ik mannenstemmen. ‘Ze lachen met de naam van het dorp’, zegt Michael die uit de streek afkomstig is. Tzinzorano betekent plek in de regen.’
De grond onder mijn voeten davert van het gezeul met spullen die aangebracht worden uit de auto’s: tientallen immense potten en pannen met bijhorende ijzeren driepikkels, twee medicijnkisten, tien tenten, slaapzakken, rugzakken met persoonlijke spullen, vier stoeltjes, schoppen, hamers, plastic en papieren zakken voor stenen en grondstalen, blauwe plastic tonnetjes met charcuterie en kaas, bloem, suiker, lucifers en ontbijtgranen, rijstzakken vol conserven, verse groenten, aardappelen en natuurlijk rijst. De koks staan tot hun enkels in de modder, hun jekkers tot diep over de ogen getrokken. Ze moeten alle spullen zo herverpakken dat twee teams onafhankelijk van elkaar kunnen werken. Op die manier kan de expeditie meer gegevens verzamelen.
Het is 8 uur en de chaos is compleet. Bert kijkt op zijn horloge maar zegt niets. Théogène heeft de dorpschef om nog eens tien dragers gevraagd. Kort nadien staan ze daar, net als de anderen in teenslippers of plastic sandalen, met enkel een bord, een lepel en een vork als persoonlijke bagage. Per dag krijgen de dragers drie euro en drie maaltijden van rijst met bonen of droge vis. Ze zijn tevreden. Vergeleken met het minimumloon in Madagaskar van 23 euro per maand, is die vergoeding wellicht niet slecht.
‘Alleen al voor de dragers hebben we 27 kilo rijst per dag nodig’, zegt Théogène. Hij krabt even onder zijn petje en grijpt opnieuw naar de zakken die al klaar waren. ‘We hebben te veel bagage’, zegt hij, en haalt uit elke zak wat. Er is discussie over de stoeltjes. Natuurlijk zijn ze niet strikt noodzakelijk. Toch wordt een compromis bereikt. Wie ze wil dragen, mag ze houden. De stoeltjes gaan mee.
Het is al na 10 uur wanneer we uiteindelijk op pad gaan. De kolonne strekt zich uit over honderden meters. Bert en ik zijn de enige blanken. Kinderen roepen vazaha (blanke), alvorens lachend met de handen voor de mond weg te lopen. Wanneer in alle hevigheid een regenbui losbarst, verandert het wegdek in een fijn slib. Het pad is nog steeds breed, maar verdwijnt geregeld in de rivier. Weinig schoeisel is voor dergelijke afwisseling van modder en rivier geschikt.
We moeten een zijrivier van de Bemarivo over om bij Amboangibe te komen, ons eindpunt voor vandaag. De afdaling naar de oversteekplaats is spekglad. Ik denk maar aan een ding: mijn camera en mijn schrijfmateriaal. Een bootje gemaakt van een uitgeholde boomstam neemt ons mee tot aan een zandbank halverwege de rivier, vanwaar we verder kunnen waden. Aan de overkant voeg ik me bij de vrouwen en kinderen om mijn modderige kousen en goretex wandelschoenen te wassen, en sandalen aan te trekken. Bert, die slimmer af dacht te zijn met kousen in zijn sandalen, heeft brandwonden op zijn voetzolen en onder de riempjes van zijn sandalen.

Amboangibe


Aan het dorp lijkt geen eind te komen. Via de hoofdstraat passeren we een hotel, winkels, een restaurant. We melden ons aan bij de burgemeester, Arsinode Ravista, en tonen onze ordre de mission.  De burgemeester schijnt het Projet de Gouvernance des Ressources Minérales (PGRM) te kennen. Het is een project van om en bij 30 miljoen euro, waarvan meer dan 26 miljoen is geleend bij de Wereldbank. ‘Ik hoop dat jullie missie meer oplevert dan we hier gewoon zijn’, zegt hij. Théogène legt uit dat we van plan zijn vijf geologische kaarten te maken, die nieuwe mogelijkheden zullen blootleggen voor mijnbouw.
De burgemeester stelt de raadszaal –een groot woord voor een kale ruimte van vier bij acht meter onder golfplaten– ter beschikking om te overnachten. De dragers zetten er hun pakken neer en sommigen strekken zich uit op een lege rijstzak. Aan de achterzijde van het gebouw steken de koks een vuur aan. De politie is ons minder goed gezind. Ze houden één van onze dragers vast voor ondervraging wanneer hij een foto maakt in het dorp en controleren wantrouwig onze identiteitspapieren. Théogène onderhandelt. De drager wordt vrijgelaten met een verwittiging. Aan de burgemeester geeft hij een sommetje geld bij wijze van dank voor het gebruik van de faciliteiten.
Het wordt donker maar nergens gaan er lichten aan. We drinken warm bier in een verlaten hotel langs de hoofdweg. Pascale heeft soep, kip, rijst en groenten voor ons. Als nagerecht is er fruit. Mayama, de tweede kok, dient op voor de dragers. Zij eten rijst met bonen.
Wij gaan met het team op hotel, een serie houten barakken en een ruimte die enkel omwille van de kuip water doet vermoeden dat het een badkamer is.
Voor het slapengaan wrijft Bert zijn voeten in met ontsmettingsmiddel en vaseline, en doet er kousen overheen. Een wondermiddel, beweert hij. Ik hoop het maar want morgen begint de echte traverse. Amboangibe ligt nog op de kaart.

25 oktober. Antsahavaribe-Mariarano (15 km)


Onder de zon komen alle kleuren tot hun recht. Het pad langs de rivier is nu eens spectaculair, met het dansende water rond rotsen en keien, dan weer idyllisch, op de plaatsen waar vrouwen en kinderen hun dagtaken verrichten. We zijn niet alléén in dit Gaugain-decor. Dragers met rijst, koffie of vanille kruisen ons pad, net als  families die helpen met de verhuis van een pas gehuwd koppel. We komen zelfs een mobiele discotheek tegen: aan bamboe gebonden luidsprekers, een televisieset in de originele kartonnen doos en een generator. Voor al die voetgangers zijn er langs het pad winkeltjes, slaapplaatsen en eetkramen. Ze serveren rijst met soep, rijst met vis, of rijst met groenten. Vlees zien we hier steeds minder. De dragers doen zich tegoed aan fruit dat langs de weg groeit. Als er geen lychees, mango’s of doerianvruchten zijn, kauwen ze suikerriet.
Voorbijgangers groeten met mbola tsara (goeiedag) in verschillende toonaarden. Een vrouw toont me hoe ze het het topje van de stamper van een bloem dichtknijpt tussen duim en wijsvinger. ‘Vanille’, zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen alsof het om goud gaat.
‘Niet goud of stenen, maar vanille stelt de mensen hier in de mogelijkheid zich golfplaten op hun dak te permitteren’, zegt Michael Bejoma, die uit de streek afkomstig is. Met een jaarlijkse productie van 1500 ton is Madagaskar één van ‘s werelds grootste vanilleproducenten. De waarde van vanille is de laatste jaren gestegen van 30 tot 190 euro per kilo.
Van elke zijrivier neemt Fetra, een jonge mijnbouwingenieur, bodemstalen. Hij beweegt zijn armen heen en weer als antennes tot zijn gps maximaal bereik heeft. Dan zeeft hij een schop zand en begint het pannen. In een brede metalen pan laat hij water rond het sediment draaien tot enkel de zware mineralen overblijven in het kuiltje van de pan. Elk riviersediment geeft hij een code. ‘Op deze manier kunnen we bepalen welke mineralen er stroomopwaarts voorkomen’, zegt hij. Michael Bejoma, een student geologie, volgt Bert bij de verkenning van het terrein. Samen lezen ze het lijnen- en kleurenspel van kale rotsformaties, bestuderen de gesteenten met behulp van een hamer, kompas en een vergrootglas. Een bepaalde klank bij het slaan van de hamer op een rots doet de aanwezigheid van het gesteente fonoliet vermoeden.
Mensen onderbreken hun activiteit om te komen kijken. Ze vragen wat we doen, waar er goud of edelstenen zitten. Onze aanwezigheid roept hoge verwachtingen op. ‘We hebben geleerd ons niet te laten verleiden tot speculaties’, zegt Michael zuinig, maar zijn antwoord klinkt in zijn taal veel uitvoeriger, en vooral hartelijker.

Mariarano


Mariarano is een triest dorp. Op nauwelijks een dag lopen van het vruchtbare kustlandschap, zien de kinderen er ondervoed uit. Hun haren zijn dof en roodbruin in plaats van zwart, hun buiken gespannen. Ze zijn schuw, niet zoals in andere dorpen waar jongens en meisjes bijna schaamteloos door onze slaapkamerraampjes hingen en om foto’s bedelden. Hier is alle vrolijkheid weg. Maar Pascale heeft voor onze expeditie ditmaal wel een echte keuken kunnen bemachtigen. Het wordt zelfs een beetje feest, met eend in roomsaus met Malagassische groene pepertjes, en kokostaart als dessert.

26 oktober. Mariarano-Antsahapolisy (13 km)


Bert en Théogène besluiten langs twee routes te werken. Ons team keert terug langs Antsahapolisy om dan in noordelijke richting door te steken, waar vrijwel zeker een pad is. Théogène neemt de oostelijke route. Volgens een oude man in een dorp onderweg zou daar een pad liggen. We zullen elkaar aan de andere kant van het oerwoud terugvinden, over drie of ten laatste vier dagen.
Vanaf nu is niets nog zeker. Of er nog ergens een plek zal zijn waar we rijst kunnen kopen na Andahavaribe (letterlijk: waar grote rijstvelden zijn), of er een pad is door het oerwoud, of we elkaar gaan terugvinden. We laten de rivier achter ons en klimmen over met gras begroeide heuvels. Het pad is hier geen voet meer breed, het gras erlangs wel anderhalve meter hoog. Je ziet nauwelijks wie voor je loopt. Heuvel op, heuvel af.
Aan de hand van gebroken takken en voetafdrukken vinden we het vervolg van het pad, dat we over de volgende heuvel volgen tot het opnieuw in een rivier verdwijnt. Boven ons bengelen kolossale vruchten en zoemen de bijennesten. Bert blijft met zijn 1m94 haperen aan de takken. Bloedetende vliegen landen op mijn benen. Dood laten ze een rood-blauwe ster na, en handen die zinderen. Ik heb visioenen van bloedzuigers en kleine krokodillen, en hoewel ik weet dat geen enkel dier in Madagaskar levensbedreigend is voor de mens, schrik ik me een ongeluk wanneer een slang zich als een dik touw vlak voor mij over het pad gooit. Niemand schrikt van mijn gil. Tenslotte ben ik de enige vrouw, een blanke dan nog wel en de enige die nog nooit op traverse is geweest.

Antsahapolisy


Antsahapolisy is een van de beter voorziene dorpen, met een grote school, een politiepost, een gezondheidscentrum en zelfs een kleine bioscoop. Die bestaat uit een overdekte ruimte met een televisie- en videoset, aangedreven door een generator, en twintig houten bankjes. ‘We hebben hier alles’, zegt een dorpsoudere in perfect Frans.
‘s Ochtends word ik wakker van de kippen die op het dak boven ons in de rijst scharrelen. Het raam ziet zwart van de kinderen. Ze willen gewoon zien wat we doen, en verdwijnen als een zucht zodra ik aanstalten maak me om te kleden. Onder het doffe ploffen van de rijststampers en het gekakel van kinderen begraaf ik mijn meest recente vondst in mijn rugzak, een bipolair kwartskristal. Het gele zand kleeft er nog aan. Het is het eerste tastbare bewijs van mijnbouw, ook al zou volgens de statistieken tot tachtig procent van de mensen in Madagascar bij mijnbouw betrokken zijn. Blijkbaar gaat het vooral om kleinschalige activiteiten buiten het landbouwseizoen.

31 oktober. Antsahabe-Ambodialo (11 km)


De afstand voor vandaag is niet meer dan 11 kilometer, maar dat is in vogelvlucht gerekend en voor ons ligt een bergkam. Degenen die weten waarover ze praten, zeggen dat het lastig wordt. Het is forêt primaire, ondoorgrondelijk, beschermd natuurgebied. Bert wil er zo snel mogelijk doorheen, als het kan liefst in een dag. Je kan er nauwelijks aan geologie doen, laat staan dat je een plek vindt om te slapen of zelfs een tent op te zetten.
Onze conditie is ook niet al te best. De open wonden op Berts voetzolen krijgen de kans niet om te genezen. Zijn vel vertoont alle kleurschakeringen van rood en geel. Vandaag heeft hij plastic zakjes over zijn met windels omzwachtelde voeten gedaan alvorens in dikke kousen en bergbottines te stappen. Ik word nog steeds opgevreten door de muggen en slaap slecht. Niemand klaagt, maar we zien dat iedereen zijn eigen gevecht aangaat. Fetra heeft last van parasy, kleine zandvlooien die voorkomen waar varkens en mensen wonen. Het zijn onooglijk kleine diertjes die zich een weg boren door het eelt van je voeten om daar, onder je vel, snelgroeiende eitjes te leggen. De dragers zijn hun rijst met bonen beu. Ze willen vlees.
In Antsahabe loopt het vol pluimvee, maar het kost Pascale geld en moeite om enkele kippen, of zelfs eieren, te kunnen kopen. ‘Malagassiërs zien graag veel kippen’, legt Michael uit, en ik moet denken aan het meisje dat voor het slapengaan kuikens zocht en ze in een grote zakdoek samenknoopte voor de nacht.
Voor de dragers uit Tsinzarano is het allemaal wat veel geworden. Ze besluiten naar huis terug te keren. Er zijn geen vervangers te vinden in dit dorp, dus zit er niets anders op dan dat iedereen een zwaardere last meeneemt. De extra rots- en bodemstalen die we verzamelden, en de rijstvoorraad voor de komende dagen brengt het gemiddelde nu op 35 kilo.
Ondanks de vermoeidheid kijk ik uit naar deze tocht. Het oerwoud is één van Madagaskars bovengrondse natuurlijke rijkdommen, met heel wat zeldzame dier- en plantensoorten. Die natuurlijke rijkdom en biodiversiteit trekt wetenschappers en natuurliefhebbers van over heel de wereld aan. Onder druk van die belangstelling heeft president Marc Ravolomanana grote delen van het land tot beschermd gebied uitgeroepen. Het gebied dat we vandaag doorkruisen behoort daartoe.
De eerste klim brengt ons van 700 naar 1200 meter. Het regent niet, maar alles is nat. Het pad is door koeien stukgetrapt. We trekken ons op aan de gladde wortels van bomen, zakken tot aan onze knieën diep in de modder en glijden uit op de steile afdalingen. De handelaars die we hier ontmoeten, verkopen zeboes (koeien) of –volgens de dragers– marihuana. Eens boven, merken we dat we nog hoger moeten. Tot 1700 meter. Het lachen vergaat ons snel. Zelfs de dragers nemen langere en meer frequente rustpauzes. Iedereen is uitgeput.
De zon gaat al zakken en we hebben nog maar zeven kilometer gestapt. Wij vonden al enkele open plekken in het bos, gekapt en platgebrand, niet omwille van het tropische hardhout, maar om plaats te maken voor mensen. Tot ieders verbazing komen we in een dorp aan met een vijftiental huizen. Ondanks de omvang van onze groep en het onaangekondigde karakter van onze komst, krijgen we na een formele aanmelding ook hier slaap- en kookruimte, en daarbovenop 100 procent aandacht van het hele dorp.

4 november. Zarambavy


Sinds gisteren wandelen we door een arm, dunbevolkt gebied. De huizen hier zijn niet met golfplaten versterkt. Het is te droog voor landbouw. Alleen koeien overleven, vooral waar het oude gras wordt verbrand om plaats te maken voor vers groen. De rookpluimen komen ons overal tegemoet. Tot aan de horizon zien we goudkleurige heuvels en bergen getekend door gapende gaten, een gevolg van ontbossing en erosie.
We hebben ons kamp opgezet tegenover het dorp Zarambavy, langs de rivier. In de snelstromende Mahavavy zouden krokodillen zitten, maar dat kan me er niet van weerhouden verkoeling te zoeken in de rivier. Ik neem een duik, was de modder uit mijn kleren, doe een dutje. De warmte van de rots doet mijn gewrichten deugd. De stilte is machtig, de rust genezend. Théogène heeft onze afspraak niet gehaald. We hebben een nacht gewacht, en besloten een bericht achter te laten bij de dorpschef. Daarna zijn we doorgetrokken naar Zarambavy, maar de ongerustheid weegt op iedereen.
Er wordt volop gespeculeerd. Théogène heeft misschien gemerkt dat er helemaal geen pad is, en volgt nu onze route. Dan moet hij ons inhalen. Ofwel worstelt hij zich naar hier langs een moeilijk pad en komt aan met vertraging. Ofwel steekt hij meteen door naar het oosten, in de richting van de eindbestemming. De meest populaire verklaring is dat hij ergens in de armen van een vrouw ligt. De mogelijkheid dat ze werkelijk problemen hebben, iemand een been heeft gebroken, of dat ze van de honger zijn teruggekeerd, wil niemand openlijk overwegen. 
Wanneer Théogène, drie dagen te laat maar kennelijk in goede gezondheid met zijn team de rivier doorwaadt, is iedereen opgelucht. Ze hebben er een helse tocht opzitten. Na amper enkele kilometers was er geen pad meer. De oude man, die hen had gegidst tot bij zijn huis diep in het bos, zag geen andere oplossing dan een weg te kappen. Zeven kilometer weg hebben ze gekapt, met machetes, schoppen en hamers.

10 november. Zarambavy - Ambilobekely (20 km)


Na een week karteren langs de Mahavavy en haar bijrivieren zijn we terug in Zarambavy, de enige uitweg die zeker is, langs Ambilobe. Langs een van de zijrivieren, hoog in de bergen, struikelden we zelfs bijna over de edelstenen. Op dit moment verbaast het me helemaal niet meer dat die hier zo voor het grijpen liggen. Op minstens vijf dagen lopen van de weg. Wie hier woont heeft andere zorgen. Théogène is doorgetrokken naar het zuiden, vastbesloten het einddoel te bereiken. Een van de chauffeurs is alvast onderweg om hem in Mangindrano op te wachten.
De dragers, waarvan de meesten in Ambilobe wonen, zijn opgetogen. Bij het kampvuur zetten ze neuriënd liederen in, en ze zingen tot laat in de avond. Ik ben moe. In een niet-gemotoriseerde wereld worden je benen wielen, je voetzolen banden, je enkels aandrijfassen, je knieën remmen en je handen bumpers. Op elk van de onderdelen zit, na 21 dagen wandelen, sleet. De Malagassiërs zingen jongemannenliederen, meerstemmig, meeslepend.
Nu het einde nabij is, wil ieder de tocht tot een goed einde brengen en zijn respectievelijke rol daarin zo goed mogelijk vervuld hebben: de dragers met de zware stenen, potten en pannen, de koks met hun voorraden, de stalennemers met hun logboeken en riviersedimenten en de geologen met hun kaarten en rotsstalen. De laatste kilometers wegen spreekwoordelijk het zwaarst. De zon steekt en ik voel me oververhit. We hebben de rivier achter ons gelaten en lopen de bergen door in noordelijke richting. Daar wacht een chauffeur met een auto. Een auto! We fantaseren over koud bier en vleesspiezen op de barbecue, vanavond in Ambilobe. De dragers dansen ons voorbij, alsof die bagage plots niets meer weegt.

Ambilobekely


Ambilobekely ligt in de schaduw van grote bomen. Nog een laatste riviertje, met grote keien. De schaduw is zo aantrekkelijk dat sommigen gaan zitten. Dan roept iemand iets. Boven het suizende water klinkt nu het geronk van een motor. Vreemd genoeg klinkt dit me als muziek in de oren. Enkele ogenblikken later staan we rond onze projectwagen. Iemand zet de radio luid. Voor het eerst hoor ik de originele versie van een liedje dat ik al drie weken lang uit verschillende monden hoor.
Het feest breekt los. We dansen en springen, rond de auto. Ik lach en ween tegelijk. De chauffeur is minder blij, en algauw vernemen we waarom. Een deel van de geologische stalen is uit de andere auto gestolen. ‘Zullen we terugkeren?’ grapt nog iemand, maar de absurditeit van de situatie pakt ons allemaal. Vijftig stalen gingen verloren, van de vierhonderd. Langs de radio roepen we mensen uit de streek op om uit te kijken naar genummerde stenen. Uiteindelijk werden er slechts tien niet teruggevonden. De kaarten zijn gered.