Mechelen aan de Tigris

Mechelen – een landerige provinciestad in een welvarend dwergland aan de westrand van Europa. Mechelen – een Bourgondisch-katholiek oord, waar de middenstand als norm geldt en middelmatigheid tot kunst is verheven. Het laatste decennium van de twintigste eeuw is er in dat Mechelen een dorp gegroeid, bevolkt door Assyrische christenen uit Hassana in het uiterste zuidoosten van Turkije.
Hun geboortedorp is verwoest; Mechelen is hun voorlopige, misschien hun definitieve bestemming geworden. Melkan heeft me door zijn Assyrisch dorp aan de Dijle gegidst. De mensen van Hassana vertelden over de moeilijkheden die ze ondervinden bij de integratie. Over de waarden en de tradities die ze willen behouden. Over de islam die ook in hun nieuwe woonplaats zijn tentakels uitsteekt. Over een Assyrisch thuisland dat ooit zal herrijzen. Over hun heimwee en hun hoop op een betere toekomst. Ik heb naar al hun verhalen geluisterd. En ze verbonden met het verhaal van mijn eigen zoektocht naar Klein Mechelen aan de Tigris.

God is groot (Melkan) In het najaar van 1983 waren we met het hele gezin in Istanbul. We wilden naar Zweden, maar we kregen geen visum. België vroeg geen visum, en zo is het België geworden. We landden in Brussel op 16 december 1983: vader, moeder en zes kleine kinderen. We kwamen bij de controle. Daar stonden twee struise rijkswachters. Papers, vroegen ze. Vader gaf de paspoorten en wees naar zichzelf, naar moeder en naar ons. Katholiek, bleef hij maar herhalen, allemaal katholiek. Die rijkswachters haalden de schouders op, ze lachten en lieten ons passeren. Toen we uit de luchthaven kwamen, zette mijn vader de bagage neer. Hij hief zijn armen ten hemel en riep uit: Het is gelukt, God is groot, God is almachtig! Ze kwamen ons afhalen, we zouden Nieuwjaar vieren bij familie in Nederland. Die eerste uren vergeet ik nooit. We reden in Brussel door de tunnels. Het was fantastisch, het was Europa. Je droomde ervan, maar het was zo ver, zo onbereikbaar. En op een dag laat je alles achter. Het is niet te beschrijven, die pijn en tegelijkertijd die vaste wil om elders een nieuw leven te beginnen. En dan kom je daar aan en je mag zomaar naar binnen… Twee maanden later waren we in Mechelen. Toen voelde ik het niet meer zo, maar die eerste uren in België, echt, dat was de hemel.

Herkent u die man? (Patros) In maart 1984 kwam ik met mijn gezin vanuit Holland naar België. We waren de eersten die ons in Mechelen wilden vestigen, de familie van Melkan is enkele weken later gekomen. Ik had al slechte ervaringen in Holland gehad en nu wilde ik het goed doen. Ik ging hier in Mechelen naar het stadhuis. Ze stuurden me naar het OCMW. Er was daar een dienst vreemdelingen of vluchtelingen, en die moest alles uitzoeken. Ik zei dat ik uit Hassana kwam, een dorp van christelijke kaldani bij de Iraakse grens, en dat de Turken en de Koerden ons behandelden als honden. Het duurde een hele tijd voor ze wisten wat ik bedoelde. Ik schreef de Engelse vorm voor hen op: Chaldean. Zo, zegden ze, een Chaldean, nooit van gehoord, kom later nog eens terug. Dat deed ik. Ze toonden me een foto. Herkent u deze man? vroegen ze. Nee, zei ik, nooit gezien. Zo zo, zeiden ze, dat is nochtans het hoofd van de Chaldese Kerk, de patriarch van Bagdad. Ik probeerde uit te leggen dat we in Hassana sedert de jaren vijftig geen echt contact meer hadden met het patriarchaat in Bagdad, maar dat ik de Chaldese metropoliet van Istanbul kende. Ik moest opnieuw terugkomen. Ze hadden een andere foto en daarop herkende ik meteen de metropoliet. U moet begrijpen, zeiden ze, we hebben bewijzen nodig. Ik hield me in, maar ik heb wel gezegd: Ik heb u toch mijn woord gegeven, van christen tot christen. Dat begrepen ze niet. Toen heb ik alle papieren ingevuld. We mochten blijven.

Sirekke Het gebeurde in 1999. Mushe woont in de Galgestraat, Mechelen-Noord. Hij heeft geitenkaas met kruiden – sirekke – gemaakt op de traditionele wijze. Die kaas werd in Hassana in een pot van aardewerk gestopt; de pot werd met doeken omwikkeld en vervolgens enkele maanden lang begraven. Mushe woont in een sociale wijk, hij heeft enkel een voortuintje. Daar stopt hij zijn pot in de grond. De volgende dag bellen twee agenten bij hem aan. De buren vonden dat die Turk zich verdacht gedroeg en ze hadden de politie verwittigd. Mushe probeert het uit te leggen. Het baat niet, hij moet de verdachte pot opgraven. Zijn vrouw en zijn kinderen staan erbij en kijken toe; de buren laten zich niet zien. Als de pot is opgedolven, moet Mushe hem openen. Hij zweert dat er enkel kaas in zit, maar de agenten laten niet af. Mushe kan zich niet langer bedwingen. Hij rukt de doeken weg, opent de pot en roept: Hier kijk dan en proef, eet maar! De sterke geur van de sirekke verspreidt zich, de agenten deinzen achteruit, ze proberen de zaak te sussen en druipen af. Mushe neemt het zijn buren nog altijd kwalijk: ze weten goed genoeg dat hij geen Turk is en ze hebben nooit moeite gedaan om vrede te sluiten.

Zijn jullie echt christenen? (Binyamin) Ik woon hier nu zeven jaar met mijn hele familie. We zijn met zijn twaalven en we gaan elke zondag naar de katholieke mis in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw. Vijf van mijn kinderen dragen al jaren de witte kleren van misdienaar en toch is het onlangs weer gebeurd. Een van de Mechelaars die ons nochtans kent, vraagt na de dienst aan de kinderen of ze echt christenen zijn en of ze al lang zijn bekeerd, ze komen toch uit Turkije… Als ik dat hoor, denk ik terug aan Ferman. Toen werden we afgemaakt omdat we trouw bleven aan wat we altijd zijn geweest: christenen. Nu leven we eindelijk in een christelijk land, in België. Je mag het gerust weten: toen België in juni tijdens het EK 2000 verloor van Turkije, heb ik drie dagen gevast uit wrok, omdat we zoveel beter voetbalden en toch verloren. De Mechelaars begrijpen dat niet. Ze vinden het niet eens erg als ik vertel dat ik vlak naast een huis van de islamitische gemeenschap woon. Nog niet zo lang geleden was daar een moskee in de kelder en nu zie ik hoe van overal in Europa imams naar dat huis komen en plannen maken om hun vals geloof te verspreiden. Aan hen stelt niemand vragen, dat mag allemaal. Nee, soms weet ik het niet meer, hoe we ons moeten gedragen als christenen tussen de andere Belgen.

Wat zijn dat voor mensen? (Hazine) Toen ik negen was, ben ik met mijn familie naar België gevlucht en sinds 1993 wonen we in Mechelen. Als christelijke Assyrische heb ik het hier beter dan in Turkije: ik voel me vrijer, ik kan studeren aan de Katholieke Hogeschool Mechelen. Wat me wel opvalt is dat sommige Belgen zo nors zijn of schichtig wegkijken als ze vreemden tegenkomen op straat. Net alsof ze iets vies ruiken. We wonen in een zijstraat van de Battelsesteenweg en tegenover ons is er zo’n huis met vier appartementen. Daar wonen oude Belgische mensen, telkens man en vrouw.

Drie koppels zijn altijd heel vriendelijk voor ons geweest, vooral één oude man. Hij deelde snoepjes uit aan de kinderen van mijn oudere broers, als die bij ons op bezoek kwamen. De oude man is twee jaar geleden gestorven. We zijn naar zijn begrafenis geweest. Het vierde koppel wil met niemand contact hebben. Die man en zijn vrouw kijken altijd zo kwaad en ze zijn zelfs niet naar de begrafenis van hun buurman geweest. Waarom gaan ze die arme vrouw, die alleen is achtergebleven, niet troosten? Wat zijn dat eigenlijk voor mensen? Zoiets kunnen wij echt niet begrijpen. Als je niet eens respect hebt voor de doden, hoe kan je dan nog langer samenwonen met de levenden?

GEEN LEVEN ZONDER GELOOF

Mechelen is de hoofdzetel van de kerkprovincie België. Maar de Mechelaars hoeven niet katholieker te zijn dan de aartsbisschop, ze kunnen zich de luxe veroorloven hun eigen geloof samen te stellen uit het rijke aanbod van materiële en geestelijke waarden. Voor de Assyrische christenen uit Hassana is een dergelijke vrije keuze uitgesloten, zij ontlenen hun identiteit aan hun christelijk geloof. Het is alsof ze het hele oosterse christendom meedragen in hun genen. Ze kunnen haast twintig eeuwen terugblikken, ze beschouwen zich als de rechtstreekse afstammelingen van de eerste christenen. En zo wordt hun eigen historie een gewijde geschiedenis, die onveranderd wordt doorgegeven als het hoogste goed. Viktor Sjklovski noemde het in 1918 de onverbrekelijkheid van de traditie.

De Hasnaye hebben altijd geleefd als christelijke minderheid in moslimgebied. Toen ze moesten vluchten uit hun geboortedorp en zich in Europa vestigden, hoopten ze op een betere toekomst tussen geloofsgenoten. De geseculariseerde en materialistische samenleving waarin ze zijn terechtgekomen, betekent voor hen een grote cultuurschok. Ze ontdekken dat het christendom in het Avondland niet te vergelijken is met de impact van de islam in Turkije of Koerdistan. Dat men in Europa, in België, in Mechelen, niet zoveel onderscheid maakt tussen christelijke en islamitische inwijkelingen uit Turkije. Dat de moslimminderheid hier veel meer vrijheid krijgt dan de Assyrische christenen ooit in hun geboortestreek hebben gekregen. Daar vormde het eigen geloof een genetische barrière: vertrouwelijke omgang van christelijke dorpsjongeren met jonge moslims uit andere dorpen was ondenkbaar. Hasnaye winden zich vaak op over ontkerkelijking en libertijns gedrag bij ‘christelijke’ westerlingen, ze begrijpen niet hoe het kan.

Ieder voor zich (Gazale) Ik voel me Suraya. Mijn christelijk geloof is voor mij het allerbelangrijkste en ik vind het nog altijd vreemd dat sommige Belgen beweren dat ze helemaal geen geloof hebben. Zelfs op de katholieke middelbare school hier in Mechelen kon ik met klasgenoten nooit over kerk en religie praten, godsdienst leek wel een taboe. In Hassana ging iedereen ‘s zondags naar de mis. Het was een rustdag, men had tijd. Hier is er ‘s zondags altijd wat anders te doen en het is zo leeg in de kerk, je ziet er enkel oude mensen. Ik ga enkel nog tijdens de grote feestdagen, met Kerstmis en Pasen. Om de twee weken komt de chaldese priester Kasha Anton uit Brussel de mis opdragen voor de Assyrische gemeenschap in de kerk op de Veemarkt. Sommige mensen van Hassana wonen zijn diensten bij, anderen niet meer. Ieder voor zich – dat is hier de regel. In Hassana was het anders. We leefden als één grote familie, als goede christenen.

Zo oneerbaar (Binyamin) Wij zijn Meshihaye, volgelingen van Jezus de Messias. Onze Assyrische gemeenschap moet samenblijven in Mechelen en ons christelijk geloof doorgeven aan de jongeren. Als mijn kinderen hier alleen moesten wonen, tussen Belgen en Marokkanen, dan zouden ze hun geloof vergeten. Ik zie toch wat er in Europa gebeurt. Laatst nog was er een uitzending over toerisme in Turkije op tv. Ze lieten stranden zien en hotels in Kusadasi. Euopese meisjes, zo goed als naakt, lagen in een zwembad, Turkse jongens sprongen in het water en deden dingen met hen die ik niet eens wil noemen, zo oneerbaar was het. Ik begrijp het echt niet, het zijn toch christenmeisjes. Waarom verkopen ze zich aan die moslims? Is hun eer, is hun geloof hun dan zo weinig waard?

Gek van pijn (Patros) Het is tien jaar geleden, begin 1990. Ik ben ziek en ik lig hier in Mechelen in het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis. Een zaal met vier bedden. Naast me ligt een vluchteling uit Afghanistan, een moslim. Hij kijkt zo naar mijn kleur, hij denkt: ook een islamiet. Ik zwijg. Een paar dagen later vertelt hij dat hij zeven maanden in België is, dat hij een meisje heeft leren kennen en dat hij met haar gaat trouwen om te kunnen blijven. In Afghanistan heeft hij al een vrouw, zegt hij, maar België is beter, want er is altijd genoeg te eten en te drinken en er is geen oorlog. Ik zwijg. De volgende zondag komt dat Belgisch meisje hem bezoeken. Ik zie haar, ik word gek van de pijn: zo’n mooi meisje. Ze praat met hem en ook met mij. Ik hoor dat haar moeder overleden is, dat haar vader het moeilijk heeft. Ik hou het niet meer, ik vraag haar: Ben je christen? Ja, zegt ze, katholiek. Zo, zeg ik, waarom verloochen je dan je geloof, waarom ga je trouwen met een moslim? De Afghaan hoort wat ik zeg. Zwijg, roept hij, jij met je vieze geloof! Ik word heel kwaad. Niemand beledigt mijn geloof, niemand! Ik ben een echte christen, roep ik, maar jij bent een bedrieger, jij trouwt voor de papieren. We maken ruzie, het meisje loopt kwaad weg. Die Afghaan is ineens veel beter en loopt haar achterna op de gang. In de andere bedden liggen twee oudere mannen, Belgen. Ze hebben alles gehoord en gezien. Ze komen me een hand geven. Goed gedaan, zeggen ze, we wisten niet dat je christelijk bent. Ik zie ze daar staan en ik word terug een beetje kwaad. Ja, ik ben een christen, zeg ik. Maar waarom hebben jullie niks tegen dat meisje gezegd? Jullie hebben toch ook gezien dat die andere hier naast me een buitenlander is, zo’n hond van een islamiet.

DE TAAL IS HEEL HET VOLK

Ons Sureth, ons Assyrisch, mag nooit verloren gaan – het is een vaak gehoorde verzuchting van de Hasnaye in Mechelen, vooral bij de ouderen, maar ook bij jongeren als Melkan, die de intellectuele elite van de Assyrische gemeenschap vormen.
Sureth is het Nieuw-Aramese dialect van Hassana. De Hasnaye hebben het in hun dorp altijd gesproken, naast het Koerdisch dat ze oppikten van contacten met naburige moslimdorpen, en het weinige Turks dat de jongeren leerden in de lagere school van Hassana. De oudere Hasnaye, vaak ongeletterde boeren en wevers, kunnen hun moedertaal nauwelijks lezen of schrijven. Dat geldt nog meer voor de meeste vrouwen, die in het beste geval enkele jaren lager onderwijs hebben gevolgd in hun dorp.

Wat maakt die spreektaal zo belangrijk? Het Sureth is voor de Assyrische christenen meer dan een lokaal idioom, zij beschouwen het als de rechtstreekse erfgenaam van het Oud-Syrische Ktobonoyo, de taal van de Peshito, de vroeg-christelijke Aramese bijbel- vertaling. Dat Ktobonoyo of Ktawanaya is voor de meeste Hasnaye een dode liturgische taal – enkel de kasha’s begrijpen de gewijde teksten die ze reciteren tijdens de kerkelijke erediensten – maar het is voor hen vooral de taal van Christus zelf. Hij verkondigde de Blijde Boodschap in het Aramees, en het Sureth is een verre echo van dat oude Aramees.

De taal is heel het volk – het klinkt bekend. Assyriërs voegen een religieuze dimensie toe aan de mythe: de taal is heel het rechtgelovige volk. De Suraye zijn een uitverkoren volk met een gewijde geschiedenis en een roeping, ook in de diaspora geven ze de Blijde Boodschap door in de taal van het oudste christendom. Daarnaast is het eigen Sureth het enige communicatiemiddel dat de Assyrische gemeenschap in Mechelen samenhoudt en helpt overleven als kleine christelijke minderheid tussen de Belgen, d.w.z. tussen anderstalige ex-gelovigen en halfgelovigen. Dat gaat overigens niet zonder moeite.

Mijn oma (Gazale) Als er bij ons iemand huwt, komt de hele gemeenschap meevieren, ook degenen die in het buitenland wonen. De uitnodigingen worden meestal in het Turks opgesteld, want in elk gezin is er wel iemand die dat heeft geleerd op de lagere school. Ik ben zelf pas getrouwd en ik zal ons Sureth zeker doorgeven aan mijn kinderen. Het is erg jammer dat ik zoals zovelen van onze mensen onze taal niet goed kan lezen en schrijven, dat het bij mondelinge overlevering moet blijven. Het maakt het alleen maar moeilijker. Je ziet het nu al: sommige jongeren die al lang in Mechelen wonen, hebben moeite met het Assyrisch, de woorden blijven steken in hun keel. Soms vraag ik me af: waarom al die moeite? Maar dan denk ik aan mijn oma, zij kent geen andere taal dan onze moedertaal. Als ik ons Sureth verleer, kan ik niet meer met haar spreken. Naar Oost-Turkije wil ik nooit meer terug, maar het dorp van mijn grootmoeder verloochen ik niet. Ik wil dat mijn kinderen erover horen in haar eigen taal, in de taal waarin ze altijd heeft gebeden. Ze moeten toch weten waar ze vandaan komen.

Dat kleine lichtje (Besim) Mijn vader, Kasha Mattai, wilde in Hassana een groepje jongeren leren lezen en schrijven in ons eigen Sureth. Officieren van de Turkse legerpost hoorden ervan en kwamen het verbieden. Geen Assyrisch, dat mag niet, zeiden ze. Mijn vader antwoordde fel dat hij onder het dak van zijn kerk deed wat hij wilde. Oh ja, zeiden ze, nog koppig ook, dan ga je maar naar de Koerdengevangenis in Diyarbakir. Mijn vader is toen moeten stoppen met zijn lessen. Zo ging dat in ons dorp. Wij mochten niets opschrijven, de ouderen vertelden en de jongeren luisterden. En hier in Mechelen?
Hier mag ik al mijn kinderen, al krijg ik er honderd, zoveel Assyrisch leren als ik wil. Maar ze willen het zelf niet. Pa, wat moet ik met die stomme taal? zo klaagt mijn jongste zoon. Hij hoort het van de Belgen. Die zeggen dat je hier alleen Vlaams en Frans moet leren. Als ik dan aan mijn vader denk… In ons dorp was hij een leeuw, zijn woord was wet, het was het woord van de Bijbel. Maar hier, in België en in Nederland, hier is hij een lam geworden. En toch moeten we ons Sureth bewaren. Het is als de oliepit die vroeger in Hassana onze huizen verlichtte. Waarom zou dat in Mechelen niet meer kunnen? Als de elektriciteit uitvalt, dan zit je daar in het donker. Dan ben je blij met dat kleine lichtje.

SAMENHORIGHEID, DE EER VAN DE FAMILIE EN DE WET VAN DE GASTVRIJHEID

Tetty Rooze, echtgenote van de Nederlandse dominee Rooze, runt het Protestants Sociaal Centrum in de Antwerpse Stuivenbergwijk. Zij heeft de eerste Assyrische vluchtelingen uit Hassana in België opgevangen en ze heeft de gemeenschap zien aangroeien in de loop van de jaren tachtig en negentig. Nooit meer Turkije is de onuitgesproken leus bij de meeste Hasnaye: ze zijn vastbesloten zich in hun nieuwe vaderland te integreren. Met behoud van de tradities die diepgeworteld zijn in hun eigen plattelandscultuur.

Het samenhorigheidsgevoel is zo’n traditie; in Hassana was het de vanzelfsprekende reflex van een kleine christelijke enclave in moslimgebied. Melkan legt de vinger op de wonde: ‘In Hassana woonden we als het ware onder één dak. We waren vrij binnen onze eigen dorpsgemeenschap, maar die tijd is nu voorgoed voorbij. We hebben nooit geleerd individueel te leven, en dat is nu ons grootste probleem. Eigenlijk hebben we samen met ons dorp en onze geboortegrond ook onze vrijheid verloren. In Mechelen lopen we verloren in de massa. Kijk, zeggen ze, daar loopt zo’n rare vreemde.’

De Assyrische vrouwen in Mechelen zijn meestal ongeschoold. In Hassana werkten ze meestal samen, ze sponnen wol, ze wisselden nieuwtjes uit. Het gewone dorpsleven. Nu missen ze het gezelschap van de andere vrouwen en van hun kinderen. Die worden niet langer thuis opgevoed, ze gaan naar school in Mechelen. De vrouwen van Hassana zoeken steun bij hun beter geschoolde oudste dochters; die moeten hun moeders zo goed en zo kwaad als het gaat wegwijs maken in het moderne huishouden. De vaders hebben hun eigen problemen. In hun geboortedorp werkten ze veel buitenshuis, in Mechelen zitten ze dikwijls werkloos thuis. Ze missen hun mannenwereldje, hun gewichtige mannenzaken, die in Hassana werden afgehandeld in het theehuisje of op het dorpsplein.

In Hassana vormden de grote familie één woongemeenschap; drie generaties – grootouders, volwassen zonen met vrouw en kinderen – leefden samen in hetzelfde huis. Gehuwde vrouwen verhuisden naar de familie van de bruidegom, die de bruidsschat betaalde. De bruiden kregen van thuis uit een uitzet mee, meestal sieraden en juwelen. Ze bleven hun eigen bezit en ze gaven hun een zeker gevoel van onafhankelijkheid. Tetty Rooze heeft het meer dan eens meegemaakt dat een gehuwde Hassana-vrouw er in België bij haar man op aandringt dat hij voor haar juwelen koopt. Het lijkt een onredelijke eis: vele Mechelse Assyriërs hebben het in het begin niet breed, het geld kan beter worden besteed. Maar er zit meer achter. Die vrouwen hebben de sieraden van hun eigen uitzet moeten verkopen om de vlucht van het hele gezin naar Europa te bekostigen. Eens gesetteld in Mechelen, vindt de vrouw dat ze opnieuw recht heeft op een tastbaar bewijs van zelfstandigheid. De echtgenoot kan moeilijk tegenstribbelen: de traditie eist dat hij zijn gezin financieel onderhoudt zonder een beroep te doen op de bezittingen van zijn vrouw. Zijn eer staat op het spel.

De eer en de familie blijven uiterst belangrijke waarden in de Assyrische gemeenschap. De familieclan primeert in de mannelijke lijn. Assyriërs uit Hassana beschouwen het als hun plicht clangenoten die later uit het dorp zijn weggevlucht, financieel op te vangen in Mechelen en ze blijven zoveel mogelijk contact houden met verwanten die elders in Europa zijn terechtgekomen. Ik heb het vaak genoeg meegemaakt: het gsm-melodietje dat een gesprek onderbreekt als er weer eens een van de taltijke neven opbelt vanuit het buitenland, vanuit Zweden, Duitsland, Frankrijk… Hoe vrolijk er dan diep in de keel wordt overgeschakeld naar het ruigere Sureth, en hoe hoog zo’n telefoonrekening wel niet moet oplopen. In de familieclan gelden vaste gezagsverhoudingen: de man staat – tenminste voor de buitenwereld – boven de vrouw; de oudere eist respect van de jongere; er is een sterke sociale controle op de ongehuwde meisjes. En voor gasten is er altijd tijd. Eigen volk of vreemden, dat maakt niet uit: gastvrijheid is heilig. In één verbijsterend geval – lees Vreemd bezoek – is ze erezaak geworden, een uiting van respect die een eeuw overbrugt. Nieuw Hassana bestaat, het zoekt zichzelf tussen traditie en integratie.

Wij delen de pijn (Besim) Assyrische rouw, dat is niet te vergelijken met wat er in België gebeurt als iemand sterft. Als mijn buurman hier geen kaartje krijgt, gaat hij niet eens naar de begrafenis. Bij ons in het dorp is het altijd anders geweest: het bericht gaat rond dat er een dode is, alles valt stil, iedereen rouwt en volgt de lijkstoet. We vinden dat niet meer dan normaal, we doen dat uit respect. In Mechelen gaat iemand van ons dood. Wel, de hele gemeenschap – ook de mensen in het buitenland – komt dan naar de begrafenis. En na de dienst is het niet zoals bij de Belgen: koffie en broodjes voor de familie en daarna iedereen snel weg. Bij ons bezoekt de hele gemeenschap de getroffen familie, en die bezoeken gaan door tot een aantal weken na het overlijden. Iedereen brengt iets mee, vruchten of zo, om samen te eten. De kasha van de familie is er om te bezoekers mee te ontvangen, hij blijft daar zolang als de rouwperiode duurt. Wij delen de pijn, en dat is goed, want gedeeld geluk wordt groter en gedeelde pijn wordt kleiner.

Dat hebben we niet nodig. Je moet me echt beloven dat je mijn naam niet zult noemen, ik wil niet dat mijn familie in opspraak komt. Naar Turkije ga ik nooit terug, maar ook in België is het niet altijd gemakkelijk voor ons. Op school hier in Mechelen heb ik jongens én meisjes bezig gezien. Ze hebben soms wel twintig lieven gehad en dan trouwen ze met iemand anders. Ik ben blij dat ik Assyrische ben en dat ik dat nooit heb gedaan. Bij ons in het dorp kenden we geen voorbehoedsmiddelen, een meisje dat trouwde was nog maagd. Ik ben nu zelf getrouwd, ik wil twee kinderen, niet meer. Ik ben in verwachting en ik weet van de dokter dat het een meisje zal zijn. Mijn man is erg teleurgesteld. Het moet een jongen zijn, zegt hij, ik wil geen meisje. Kijk, dat vind ik dan zo jammer, dat we hier leven en ons proberen aan te passen en toch… Mijn moeder heeft mijn vader vier zonen en vijf dochters gegeven, en ik weet van haar wat hij zei als er weer een meisje werd geboren. Gooi dat maar in de beek, zei hij, dat hebben we niet nodig! Hij liep dan kwaad het huis uit en bleef de hele dag weg. En ik vind het nog altijd heel spijtig dat mijn vader mijn broers liever ziet dan mij en mijn zussen. Bij de jongeren in België zal dat wel veranderen, zeg je. Misschien, ik weet het niet.

Vreemd bezoek (Melkan) We wonen nu in Mechelen en ons dorp is verwoest, maar dat heeft het Turkse leger gedaan. Ik heb al verteld over Abdul Rahman, de Koerdische aga uit Silopi die Hassana altijd fatsoenlijk heeft behandeld. In 1999 had hij een hele slechte oogst. Hij liet weten dat hij zijn christenen miste en hij vroeg of hij naar Mechelen mocht komen. De familiehoofden van onze gemeenschap kwamen bijeen. Ze besloten hem uit te nodigen en zorgden er zo voor dat hij een visum kreeg. Abdul Rahman is hier twee maanden gebleven, in augustus en september 1999. Hij heeft de hele gemeenschap bezocht, niet enkel de clanoudsten, maar ook de gewone mensen. Hij is overal goed ontvangen. Onze mensen hebben zijn hand gekust. Hij was ervan aangedaan. Hij verontschuldigde zich, hij zei dat hij het spijtig vond dat Hassana was ontruimd. Na het vertrek van de christenen is de streek er alleen maar op achteruitgegaan. Vele gronden liggen braak, zei hij, en de enigen die er beter van worden, zijn de smokkelaars, die zich niets aantrekken van het internationale embargo tegen Irak en grof geld verdienen met hun illegale handel aan de Turks-Iraakse grens. De aga heeft veel met de ouderen gepraat en ze hebben hem geld gegeven, vanwege die slechte oogst. Voor hen was het een beetje zoals vroeger in het dorp wanneer de aga zijn deel kwam opeisen. Voor jongeren als ik was het moeilijker. Wij voelen ons veel meer Belgen, wij vinden dat iedereen zijn voordeel moet kunnen doen. In Hassana moesten onze mensen altijd maar geven en het hoofd buigen in ruil voor bescherming. Wat kregen ze in feite behalve de gunst dat ze mochten leven? De ouderen zien het anders en wij, de jongeren, hebben ons daarbij neergelegd. Abdul Rahman is een Koerd, maar hij is bij ons in Mechelen te gast geweest en een gast spreek je niet tegen. Je zal het misschien vreemd vinden, nu je weet hoe moeilijk we het hadden in het dorp. Voor ons is het niet zo vreemd, het hoort bij onze geschiedenis. In Hassana hoorden we van de ouderen: de Rahmans hebben tijdens Ferman in 1915 vele christenen van de ondergang gered. Zulke dingen vergeten wij niet.

MOSLIMS ZIJN RODE APPELS

Er is één ding waarover werkelijk alle Hasnaye het roerend eens zijn, als ze vrijuit kunnen praten: moslims zijn niet te vertrouwen en elke rechtgelovige die met hen omgaat, zal dat vroeg of laat ondervinden. Die intolerantie is niet de mooiste karaktertrek van de Mechelse Assyriërs. Het is voor hen overigens volkomen onbegrijpelijk dat xenofobe Mechelaars – en zo zijn er velen – hen over dezelfde kam scheren als Marokkanen en andere islamieten. Waarom blijven ze ons Turken noemen? Het is de klacht die altijd terugkomt. De Mechelaars moeten beter weten, geen excuus voor maneblussers die aldoor denken dat hun provincienest in brand staat. Van de mensen van Hassana kan ik het nog ergens begrijpen, die vrees voor en zelfs die haat tegen de islam. Het is tenslotte de rode draad door hun eeuwenoude christelijke voorgeschiedenis.

Op de dool (Kasha Mattai) Wij zijn Suraye, de oudste christenen, we hebben ons niet lang na de hemelvaart van de Verlosser bekeerd. Maar we hadden geen eigen land meer, we moesten leven onder vreemde heersers. En die zeiden: Neem onze goden over, aanbid het vuur, kniel voor beelden, buig ter aarde voor profeet Mohammed! Vele Assyriërs deden wat hun werd opgelegd en gingen verloren tussen vreemden. Misschien wel tachtig procent van degenen die zich nu Koerden noemen, zijn in feite oorspronkelijk Assyriërs die hun christelijk geloof verloochenden en hun afkomst vergaten. Er waren geen Koerden in Mesopotamië, want de echte Koerden woonden in Medië, in Iran. De Perzen wilden dat we vuuraanbidders werden, de Turken wilden moslims van ons maken, zoals de Koerden. Suraye die toegaven, werden door het Assyrische christenvolk geen Assyriërs meer genoemd. Zo zijn we geworden wat we nu zijn: een klein volk op de dool.

Eigen soort (Melkan) Het is jammer dat ik het moet zeggen, maar moslims kunnen niet kiezen: ze hebben al gekozen, wat er ook gebeurt. De mensen van Hassana die tijdens de Golfoorlog van 1991 nog in het dorp waren, hebben het vaak genoeg verteld. Saddam Hoessein had in Noord-Irak hele Koerdische dorpen uitgeroeid met gifgas en duizenden vluchtelingen staken de grens over naar de Bohtan-vlakte in Turkije. Toch kozen alle Koerden in de streek van Hassana partij voor Irak en tegen Amerika. Want Saddam was een moslim en hij had de heilige oorlog uitgeroepen. En zo is het voortdurend met de moslims: als het erop aankomt, kiezen ze altijd voor hun islam en tegen de christenen.

- - - - -

Rode appels (Binyamin) We voelen ons thuis in België. Maar als we hier ons geloof en onze christelijke tradities niet kunnen behouden, dan gaan we weg, naar een ander land. Ik ben bang dat ook in Europa de mooie christelijke gemeenschap zal verdwijnen. Dat er altijd meer moslims gaan komen en dat ze gaan zeggen, als ze sterk genoeg zijn: dat is nu allemaal van ons. Zo is het in Turkije ook gegaan. De Europeanen zijn te braaf, ze zullen te laat beseffen dat ze een rode appel in hun zak hebben gestoken. Dat is bij ons een spreekwoord. In Hassana zegden we altijd: Steek nooit een rode appel in je zak! Zo’n appel viel op, hij leek zelfs mooi, maar hij rotte snel en maakte alles smerig. Dat is precies wat hier nu gebeurt: moslims zijn de rode appels die Europa op zak steekt. Wij hebben lang geleden de Koerden die van Perzië kwamen, in onze streken laten wonen. En daarna hebben ze ons verdrongen en ons alles afgenomen: onze grond, onze grootouders tijdens Ferman, en nu ook ons dorp. Moslims, het zijn rode appels, onthou het goed!

Zoals de Turken (Cemal) We hebben altijd tussen moslims moeten leven, we weten hoe ze zijn. Als een moslim drie keer tegen zijn buurman zegt dat hij zich moet bekeren tot de islam en als de buurman dan nog niet gehoorzaamt, dan mag die moslim hem doden. Toen ik nog in Hassana was, heeft een Koerd uit de streek me dat zelf verteld. En hij zei dat het ook zo in de Koran staat. Wat moet je met zulke mensen? Dan is het toch te begrijpen dat sommigen van ons zelf racistisch worden en de extremisten gaan napraten. Ik keur dat helemaal niet goed, maar het gebeurt. Laatst was er een uitzending over het Vlaams Blok op de Nederlandse tv. Mijn vader wist niet waarover het ging. Ik legde uit dat het Vlaams Blok tegen de moslims was. Heel goed, zei mijn vader, ik zou ook voor die partij stemmen! Toen zei mijn zusje: Pa, je weet niet wat je zegt. Denk aan Turkije, denk aan de nationale leuze Gelukkig is hij die zich Turk mag noemen. Alleen maar eigen volk, pa, Turk of dood. Wel, dat Vlaams Blok, dat is ook zo, dat is net zoals de Turken.

HEIMWEE NAAR HASSANA

Wat moet je nou met zulke mensen? Met moslims in Mechelen, met Mechelaars die je met de nek aankijken. De Hasnaye zijn met grote verwachtingen naar België gekomen. Ze dachten dat alles beter zou gaan, dat ze welkom waren tussen andere christenen. De ontnuchtering volgde snel. De procedure om erkend te worden als politieke vluchteling kon jarenlang aanslepen en al die tijd bleef de onzekerheid over de toekomst knagen. Maar ook na de erkenning zijn de moeilijkheden niet voorbij. De opgehoogde spanningen leiden vaak tot psychosomatische klachten; verdrongen herinneringen komen terug naar boven. Het is het syndroom van de banneling, die tegen beter weten in zijn heimwee naar de onherroepelijk verloren geboortestreek koestert.

Het paradijs (Besim) Ik woon nu tien jaar in Europa, waarvan negen in Nederland. Toen ik er pas was, wist ik niet wat ik zag: zoveel moskeeën en overal hoorde je dat Allaah oh akbar, net als in Turkije. Nederland en nu België, Mechelen – ik zie niks christelijks. Christelijke meisjes gaan zomaar met moslimjongens, net hondjes die met elkaar spelen. Er is hier teveel democratie, er zijn geen grenzen. Zo ga je piekeren. In al die tijd heb ik niet één nacht rustig geslapen. Wij die in Hassana zijn geboren, wij zijn altijd daar in onze dromen. Ik zal die jaren nooit vergeten. Ik was nooit ziek, ik leefde in de hitte en de koude, maar het deed me niks. Hassana was voor ons het paradijs. Er was daar een andere lucht, er was goede grond, er was zuiver water dat van Djudi kwam. Wij konden doen wat we wilden: zwemmen, rondlopen, druiven eten, luieren en werken als we zin hadden. We waren jong en alles was van ons. Op een keer ging ik met vrienden van mijn leeftijd ‘s nachts naar de berg om hout te halen. Ik weet het nog zo goed. We zongen heel luid en van overal kwam dat lalala terug en boven ons allemaal sterren, niet te tellen. Niets kon ons deren. Man, wij voelden ons zo sterk als de rotsen van Djudi, wij waren vrij.

Anoniem Hoeveel eenzaamheid kan een mens verdragen in den vreemde? Ik herinner me niet meer wanneer ik hem voor het eerst heb ontmoet. Het gebeurt niet zo vaak, één keer om de zoveel maanden. Het is na achten ‘s morgens en ik loop over de verhoogde voetgangersweg onder de spoorwegbrug. Beneden davert het verkeer in beide richtingen door de tunnelachtige slenk waar de Leuvensesteenweg begint of eindigt. Het geraas weerkaatst tegen de zwart uitgeslagen gewelven. Er ligt hondenpoep op de betonnen trottoirtegels. Hij loopt voor me uit in een lange, zwarte overjas. Hij draagt het boekentasje van het kleine meisje dat naast hem loopt en zijn andere hand vasthoudt. Ik haal hen in. Hij kijkt opzij en knikt vriendelijk. Een donkerbruin gezicht, haviksneus, zware snor, glimmende zwarte haren. Een veertiger. Ik knik terug. Marokkaan, dacht ik vroeger. Op de laatste pijler van de spoorwegbrug is in hevig graffiti-rood het woord ALLAH verticaal geschilderd. En dan de verbreding, de open hemel, het aarzelende groen van struiken op de bermen, het verkeersknooppunt. Als ik wat later ben, zie ik hem terugkomen, alleen, zijn dochtertje is door de schoolpoort naar binnen gegaan. We hebben elkaar al een paar keer bij de pijler ontmoet. Ik weet nu dat hij een Assyriër is, een man uit Hassana, en dat hij langs de Leuvensesteenweg moet wonen, in een van die vervallen huizen van de lintbebouwing. Shlama, groet ik terug. Melkan? vraagt hij. Ik knik en wijs naar een denkbeeldige Melkan en weer naar mezelf: ja, we zien elkaar geregeld. Hij lacht. Hij spreekt enkel Sureth en hij noemt zijn naam. Ik onthou hem niet, ik word afgeleid. Hij wijst naar het woord ALLAH op de pijler en hij stulpt de lippen in een minachtende plofklank. We zijn uitgepraat. Hij groet en loopt door naar de schemerzone onder de spoorwegbrug. Geraas, vrachtwagens, uitlaatgassen. Hoeveel eenzaamheid kan een anonieme Assyriër uit Hassana verdragen in Mechelen?

EEN VROUW VAN GOEDE WIL

Het is de laatste maand van het laatste jaar van de eeuw en alles is als vanouds. Haastige voorbijgangers, de lage grauwe lucht boven de stad, de donkere dagen voor Kerstmis. Op het knooppunt aan het Raghenoplein tussen Zandpoortvest, Hanswijkstraat en Leuvensesteenweg loopt het verkeer nukkig vast. Je moet al ver heen zijn om in dit Mechelen nog te durven dromen van een witte kerst. Het café Bij Monique op het uiteinde van de Hanswijk zit afgeladen vol. De vaste klanten aan de toog, de postbode, de wijkagent, maar ook studenten van de katholieke hogeschool en marginalen van allerlei slag en kleur – bij Monique is de pils voor iedereen betaalbaar.

Monique toont het fotoalbum van het sinterklaasfeest in haar café. De kinderen van de wijk hebben zich geweldig geamuseerd. Kleurige ballonnen, vaders en moeders op de achtergrond, de vrolijke kinderkopjes vooraan. Monique houdt van kinderen, zonder onderscheid. Ze is content, zegt ze, als het goed gaat in de wijk

Aan de overkant van het verkeersknooppunt begint de Leuvensesteenweg. Daar wonen een zestigtal Assyrische gezinnen langs de drukke hoofdweg en in de sombere zijstraten naast de terreinen van de NMBS. Monique ziet de Assyriërs al jaren voorbijkomen. Ze denkt er het hare van en ze spreekt de taal van de gewone Mechelaars, de volkstaal waaruit het Vlaams Blok de droesem opdregt en die tot politieke slogans fatsoeneert. Eigenlijk hoef ik niet eens naar het Mechels hoofdkwartier van die partij te gaan. Wat heb ik aan kleffe verdoezelingspraat? Monique spreekt tenminste zonder franje uit wat er Mechelen zoal op het hart ligt. Ze bedoelt het goed, helaas.

Turken en Marokkanen Gij spreekt van Assyriërs, wij noemen al dat vreemd volk Turken of Marokkanen. Zo op het uiterlijk is er toch geen verschil te zien, wij klasseren die gasten op dezelfde hoop. Ze staan in een groepje hun taal te brabbelen als ge voorbijkomt en ge verstaat er niks van. Dat geeft altijd een vieze indruk. En nu we het er toch over hebben, waarom moeten hier overal van die moskeeën komen? Als die van ons in het buitenland gaan werken en daar soms jarenlang moeten blijven, hebben ze ook geen katholieke kerk. Aanpassen, dat moet precies altijd van één kant komen, van onze kant. Die vreemden zeggen simpel foert. Als ze zich willen aanpassen, gelijk gij zegt, waarom doen ze dan om te beginnen die vodden niet uit en waarom kleden ze zich niet fatsoenlijk? Als ik in congé naar ginder ga, doe ik een sjaaltje over mijn haar en ik trek een lange rok aan als het moet. Waarom kunnen zij dan ook niet doen gelijk wij als ze naar hier komen? Zij blijven hier voorgoed, dat zegt gij. Er zijn er anders genoeg die later teruggaan, als ze hier niet meer werken. En werken is nog veel gezegd, het is de hele tijd maar genieten van het OCMW. Hoeveel geld sturen die mannen wel niet op naar ginder? Hoeveel huizen hebben die daar al niet? Vindt gij dat allemaal zo proper? Ik spreek nu vooral over de Marokkanen. Die Turken kunnen misschien niet terug en het kan nu wel zijn dat hun dorp daar kapot is, als ze dat zelf zeggen, maar Turken of Marokkanen, ik maak daar weinig verschil tussen. Eén ding weet ik. Ik ben meer dan eens in congé naar ginder geweest, ook naar Turkije, en overal goed ontvangen, daar niet van. Maar weet ge wat de mensen daar zelf zeggen? Het zijn de slechten die vertrekken, dat zeggen ze, want de goeden blijven in hun eigen land. Meer wil ik er niet over zeggen. Met Assyriërs en zo moet ge bij mij niet afkomen, ik heb daar allemaal geen verstand van. Luister, Belg of buitenlander, wit, geel, bruin of zwart, het is simpel: al wie hier binnenkomt in ‘t café, geen zever of last verkoopt en zijn pinten op tijd en stond betaalt, is altijd welkom.

LANGS DE LEUVENSESTEENWEG

Vanuit het volkscafé Bij Monique – waar iedereen die betaalt welkom is – steek ik de Mechelse ringweg over. Ik volg de rustige rechte laan die langs de spoorlijn naar het hoofdstation loopt. Achter me proberen Assyrische gezinnen te leven met de stank en de nooit aflatende drukte van de Leuvensesteenweg. Er zijn mij andere, onthullende verhalen ter ore gekomen over Nieuw Hassana in Mechelen Ze vertroebelen het beeld, maar ze maken het ook waarachtiger. En menselijker.

Eén verhaal is komen aanwaaien uit de wijk Nekkerspoel. De parochieschool van Sint-Pieter had een groot aantal Assyrische kinderen opgenomen. Die concentratie leidde tot strubbelingen in het oudercomité; men vreesde voor een algemene verlaging van het onderwijsniveau. In 1998 bereikte de interne crisis haar hoogtepunt. Twee onderwijzers, weldenkende behoeders van doelstellingen en normen, verlieten de school, tezamen met een twintigtal Vlaamse kinderen, en ze stichtten een eigen Steinerschooltje. Dat werd een jaar later opgedoekt; de Vlaamse kinderen raakten verspreid over verschillende lagere scholen in het Mechelse. De zaak haalde even de regionale pers. Het was een van de eerste keren dat Mechelaars de rare term Assyrische Turken in hun krant aantroffen.

Vlak naast de Leuvensesteenweg ligt de stedelijke basisschool De Bercht. Het is een echte concentratieschool: de helft van de schoolgaande kinderen zijn Assyrisch, de meeste anderen zijn Marokkaantjes en het aantal Vlaamse kinderen bedraagt nauwelijks tien procent. Blanke kinderen, zo noemt de waarnemende directrice die kleine autochtone minderheid. Ze heeft wel begrip voor de Assyrische gemeenschap in de wijk. Althans voor het overgrote deel. Over de rotte appels spreekt ze minder graag, je weet maar nooit.

Uitschot bij elkaar Assyriërs en Marokkanen, dat gaat niet samen. Er is een muur van haat tussen die twee groepen, er zijn zelfs Marokkaanse ouders die hun kinderen uit onze school weghalen omwille van de Assyriërs. Onze Assyrische kinderen passen zich wel gemakkelijker aan en ze hebben doorgaans meer respect voor de leerkrachten. Hun ouders gaan ook lessen Nederlands volgen in het educatief centrum. Ze doen precies meer moeite om zich te integreren. Het zijn katholieken, zie je, ze staan dichter bij ons dan de islamieten. Nu moet ik wel zeggen dat in enkele van die Assyrische families de ouders nog weinig gezag hebben. Vader en moeder leven van de steun, de kinderen hangen de hele tijd rond en ze zitten tot ‘s nachts voor de tv. We moeten die kinderen soms zelf bij hen thuis gaan ophalen en dan vallen ze in slaap in de klas. Maar ja, hoe gaat dat als je zo’n groot gezin hebt en zo klein behuisd bent? En toch blijven die ouders maar kinderen maken. Zijn ze dan echt zo gelovig dat ze niet eens de pil durven gebruiken? We hebben hier een buurtcomité dat maandelijks vergadert over de problemen in de wijk, maar de Assyrische mensen komen niet naar die bijeenkomsten. Is dat nu omdat er ook islamieten, Marokkanen, in de raad van bestuur zitten? Onze Assyriërs hebben zo hun fierheid – een van hun kinderen naar het bijzonder onderwijs sturen, dat kan niet, dat noemen ze de zottenschool – maar toch, het is ook hun wijk. Er is hier trouwens al een groepje dat voor overlast zorgt, een tiental gastjes die in feite te oud zijn voor het lager onderwijs. Belgische, Marokkaanse en Assyrische jongeren, noem het gerust het uitschot van de wijk dat elkaar gevonden heeft. De kereltjes van die bende zijn berucht in de buurt. Fietsen stelen, een onderwijzeres hier op school overal volgen en terroriseren en rookbommetjes in de hal van onze school gooien. Zo begint het, maar waar eindigt het? Met de meeste Assyrische mensen zijn er nooit problemen, het zijn die enkele straatlopers die de hele groep een slechte naam geven in Mechelen.

De waarnemende directrice van de concentratieschool De Bercht zal het wel bij het rechte eind hebben. Het kan natuurlijk ook anders, positiever. Maar zelfs in dat goede nieuws zit een pijnlijke weerhaak.

In het winkelpand El Diario langs de Leuvenssteenweg worden rookwaren, kranten en tijdschriften verkocht. Een Belg en een Madrileense vrouw baten de zaak uit. Het is december, midden in de nacht. Vier inbrekers uit het Brusselse – jonge Marokkanen – dringen de winkel binnen en jatten voor een aanzienlijk bedrag aan rookwaren. Schuins tegenover El Diario woont de Assyrische familie Diril. De twintigjarige Sleman merkt vanuit zijn raam de inbraak op. Hij verwittigt de Mechelse politie en roept de hulp in van de nachtwaker-portier van het naburige NMBS-arsenaal. De politie is snel ter plekke; drie inbrekers worden ingerekend en Sleman houdt ondertussen met een mes de chauffeur van de bende in bedwang. Een jonge agent ziet dat een agressieve kerel – allicht een van de op heterdaad betrapte daders – iemand het mes op de keel zet. Hij reageert paniekerig en spuit peperspray in het gezicht van Sleman. De vierde Marokkaan ontsnapt in het tumult dat volgt, en Sleman belandt zelf op het hoofdbureau van de Mechelse politie in de Frederik De Merodestraat. Verboden wapendracht, zo luidt de aanklacht. Het misverstand wordt opgehelderd, met excuses van de politie, en Sleman hoeft zich niet langer het slachtoffer van zijn burgerzin te voelen. Alhoewel. Hoe moet hij zich nu echt voelen? Opgepakt omdat hij, een kerel met een uitheems gezicht, werd aanzien als de grotere bedreiging. Het is ook hun wijk, zei de directrice van De Bercht. Sleman heeft het geprobeerd, hij houdt er een sterk verhaal en onderhuids allicht een gevoel van gekwetste trots aan over. In het café Bij Monique vraagt men zich trouwens luidop af waarom zo’n Turk ‘s nachts moet rondlopen met een mes op zak. De uitbater van El Diario is nochtans formeel: dat mes is Sleman eerst thuis gaan halen, het was een gewoon keukenmes. ‘Maar aan mij wordt niks gevraagd,’ zegt de uitbater. ‘Die van horen zeggen, die weten het altijd beter.’ Ik zie de krantenkop in Het Laatste Nieuws al voor me: Turk bedreigt Marokkaanse inbreker. Hoe lang is het nog wachten op die andere kop: Buurtbewoner verhindert inbraak. Pas dan is de integratie van Assyriërs – en Marokkanen – een feit, ook in de vox populi die wordt verwoord in de Vlaamse pulpbladen.

CAFÉ HESANA

Aan het stationsplein, tegenover de plaats waar de bussen van De Lijn aankomen en vertrekken, liggen enkele cafés naast elkaar. Aan de onopvallende voorgevel van een ervan hangt het uithangbord Hesana. Aan het station van Nekkerspoel is er een ander café dat wordt uitgebaat door Assyriërs, maar dit Hesana in de verloederde buurt van Mechelen Hoofdstation is toch wel een verrassende neonglimp van ver over de Tigris.

Café Hesana is een vzw; Firas, de uitbater die voordien een kleine kruidenierswinkel had langs de Leuvensesteenweg, wil een ontmoetingscentrum creëren voor de Assyrische gemeenschap in Mechelen. Op het eerste gezicht merk ik geen verschil met een benepen, rommelige kroeg. Aan een van de tafeltjes tegen de muur zit een al wat oudere Vlaamse. Ze heeft een flinke slok op en ze is hier blijkbaar goed geïntegreerd. Nu ja, wat heet goed? Dat ding daar, wijst ze, is dat soms de Koerdische vlag? Firas speelt met verve een stukje heilige verontwaardiging. Natuurlijk niet! Achter de tapkast heeft hij de Assyrische vlag opgehangen. Een witte achtergrond. In het centrum de gouden zon van Ninive, gevat in een vierpuntige blauwe ster. Daarboven een gestileerde afbeelding van de Assyrische god Assur. Vanuit het centrum vertrekken telkens driekleurige golflijnen die naar de hoeken uitlopen; ze verbeelden de rivieren die het aloude Assyrische land bevloeien: de blauwe Eufraat, de rode Tigris en de witte Zab. Maar de Vlaamse is al veel te ver heen voor enige uitleg over die symboliek.

Firas komt bij me zitten. We drinken thee. Hij leeft helemaal op als ik over zijn geboortedorp Hassana begin. Zijn hortend Nederlands komt woorden tekort om al die plaatsnamen die horen bij het landschap van zijn jeugd, op te roepen. We wijken uit naar Mechelen. Het gaat niet goed, zegt Firas, Assyrische jongens en meisjes klitten zomaar samen, ze haken af op school, ze zoeken een of ander minderwaardig baantje, ze willen geld verdienen. Wat doe je er aan? Ik zou het niet weten, maar ik zie wat ik zie. Ik word bediend door een heel jeugdige, zwaar opgemaakte jongedame. Een Assyrische? Alleszins een zwartharige oosterse schone. En ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat ook Slavische blondines hier al eens de dienst uitmaken.

Ze hebben nog meer te vertellen, die betrouwbare bronnen. Bepaalde Assyriërs in de wijk langs de Leuvensesteenweg – en het gaat hier niet over Firas, laat dat duidelijk wezen – hebben een strafregister en worden verdacht van betrokkenheid bij de internationale mensensmokkel. Ze zouden o.a. Armeniërs naar België halen. Uit goede bron weet ik eveneens dat er onfrisse dingen gebeuren op het Rode Kruisplein bij de verbinding met de snelweg naar Antwerpen. Dat minderjarige Assyrische jongeren daar in de snookerzaal Mister Duizend bij het biljarten of het kaarten onderling zware weddenschappen afsluiten en soms een heel maandloon vergokken. Dat hun ouders ten einde raad aankloppen bij sociale hulpdiensten en dat ze het er heel moeilijk mee hebben, want het is een schande voor de hele familie. Dat een familiehoofd uit Hassana zelfs vond dat die beruchte snookertent de toegang moest weigeren aan Assyrische jongeren, wat natuurlijk niet kon, want de eigenaar zou meteen van racisme worden beschuldigd.

Het valt niet te verhelpen. Wellicht zullen enkele jonge Hasnaye in Mechelen in de voetsporen treden van sommige losgeslagen Marokkaanse jongeren. Het voorspelbare lot van gefrustreerden van de tweede generatie: Hassana een verzinsel van de ouderen of hoogstens een verre herinnering en Mechelen een dagelijkse realiteit vol schreeuwerige glitter onder het motto ieder voor zich.

Firas wil niet dat er betaald wordt voor de thee. Geen sprake van, de vrienden van Hassana zijn zijn gasten. De jonge dienster heeft een grote zak frieten en een paar curryworsten gehaald aan de overkant. Firas zet zich tegenover haar aan het tafeltje. Ze verdelen de porties en beginnen te eten. ‘Tot ziens, goed volk altijd welkom,’ roept Firas me nog na met volle mond.

PEST IN DE STAD

Ik loop over het stationsplein. De Willem Rosierstraat is een naargeestige zijstraat op het einde van de Leopoldstraat. Op nummer zes huist de Mechelse partijafdeling van het Vlaams Blok. De mandataris die me ontvangt, kijkt naar mijn naamkaartje met wantrouwig monsterende blik. We zitten aan een vergadertafel in de kamer aan de straatkant, die overloopt in de volgende, waar wat documentatie op de rekken ligt. Ik herken de indeling van het burgerhuis uit de jaren vijftig en de vroege jaren zestig. Vooraan de mooie kamer, de schone plaats, waar het gezin van de omhooggevallen bediende zelden verbleef. Soms loerde de vrouw des huizes vanachter de gordijnen naar wat er op straat gebeurde en als dat verdacht of onfatsoenlijk of ergerlijk was, riep ze haar echtgenoot, die kwam aansloffen uit de zitkamer achteraan. Bang burgerlijk volk dat op zichzelf leefde en de buren benijdde. Toen al.

Grazen was mijn Hassana. Dat dorp in de verste uithoek van Oost-Brabant heet nog altijd zo, maar het is mijn geboortedorp niet meer, de laatste boerderijen zijn ingesloten door protserige villa’s, de kasseiwegen zijn platgebetonneerd. Mijn grootvader zat op zijn hurken tegen het metalen toegangshekken van de Brabantse hoeve. Gij zijt zeker niet van hier. Kan ik u ergens mee helpen? Dat zei hij altijd als er een vreemde voorbijkwam. Iemand van de stad die met zijn auto was verloren gereden, een onbekende op de fiets, soms een stel zigeuners dat in de buurt bivakkeerde, maar met hen moest je toch wat uikijken, dat waren bohemers, die namen kinderen mee. Gij zijt vreemd hier. Kan ik u helpen? Mijn grootvader, peetje Rikkes, is al lang overleden. We wonen nu met z’n allen in bakstenen gedrochten in hoevestijl, in burgerhuizen in de rij. En overal is het onveilig.

De mandataris van het Blok weet zelf niet veel over Assyriërs in Mechelen, maar hij zal een partijgenoot contact met me laten opnemen. Het zal me benieuwen. Vreemd volk dat uit Turkije is gevlucht, andere kleren draagt en er anders uitziet, maar ook vreemd volk dat hier asiel heeft gekregen, ons christelijk geloof belijdt en de moslims naar de verdoemenis wenst – hoe pas je die in in de vreemdelingenpolitiek van het Blok? Het benieuwt me trouwens nog altjd: nooit contact gehad met hun deskundige. Ook later niet bij mijn tweede bezoek aan nummer zes. Toen stond ik voor een gesloten deur.

Ik steek de ringweg over, ik loop over de Korenmarkt, over de IJzeren Leen. Er is veel volk op de been, kooplustigen op zoek naar eindejaarsgeschenken. Ik zie de trapgevels, ik zie de Bourgondische pracht van de Grote Markt, ik zie de majestueuze statigheid van de Sint-Romboutstoren. Dit is een mooie stad, een rijke stad, een stad met een groots verleden. Waar komt dan plots die wrange gedachte vandaan? Rode appels. Door de binnenstad lopen vrouwen in lange gebloemde rokken en wollen truien, met witte sjaals op het hoofd. En oudere donkerhuidige mannen met forse snorren en grijze petten. Ze vallen nog meer op dan de Marokkanen. Het zijn de mensen van Hassana, het zijn Assyrische christenen, maar dat zal de Mechelaars worst wezen. De meeste Hasnaye zijn midden jaren negentig hierheen gekomen. Hun komst valt op de meest ongelukkige wijze samen met de doorbraak van het Vlaams Blok in Mechelen; zij zijn als het ware ongewild en onbewust zelf de rode appels uit hun eigen Sureth-spreekwoord geworden.

Het Blok hoeft niet eens zijn standpunt over de mensen uit Hassana te verduidelijken, het Blok is niet groot geworden door rationele analyse, het bemest simpelweg een reeds vruchtbare bodem. De ratten verenigen zich, de rattenkoning loopt vol ziektekiemen als een zwartbruin kluwen door de straten en piept in hoge nood: de pest, de pest is in de stad!

DE DIENST VOOR DE VLUCHTELINGEN

Vluchten kan niet meer; integratie is de enige uitweg en wie moeite heeft met de hindernissen op die afgebakende route, moet maar beter zijn best doen. Op het voormalige Sint-Romboutskerkhof, in de schaduw van de kathedraal, is de Mechelse Dienst voor de Vluchtelingen gehuisvest.

Els is een maatschappelijke assistente uit Mechelen; ze begeleidt de zelforganisatie van de Assyrische gemeenschap in de stad. Dat gaat met vallen en opstaan. Els geeft een voorbeeld. Een aantal oudere vrouwen uit Hassana vroeg dat men hen vlotter Nederlands zou leren spreken. Els zocht drie Vlaamse vrijwilligsters die hen gesproken Nederlands wilden aanleren in het wijkhuis van Nekkerspoel. De Assyrische vrouwen volgden enkele lessen, maar ze vonden dat het te traag ging: waarom leerde men hen tussendoor ook niet leren en schrijven? Els probeerde uit te leggen dat alfabetisering niet zomaar kon, dat ze daarvoor naar het Centrum voor Basiseducatie in de Leopoldstraat moesten gaan. Dat zagen de Assyrische vrouwen niet zitten: het was te ver. Ze begonnen af te haken.

Ook voor Assyrische meisjes is onderwijs zeker niet de hoogste prioriteit volgens Els. Hun ouders willen vooral volgzame dochters, want die kunnen jong en maagdelijk worden uitgehuwelijkt aan jongens uit goede Assyrische families. En daarna blijft de druk van de familie en de schoonfamilie aanhouden: als er niet meteen kinderen komen, wordt er al snel gevraagd of er soms iets mis is met de jonggehuwden. Veel keuze is er dus niet en dat moet vroeg of laat tot conflicten leiden. Els zucht. Assyriërs zijn heel vriendelijk en heel gastvrij, zegt ze, maar ze krijgt geen dieper contact met hen, ze zijn moeilijk te doorgronden.

We hebben ze verwend Vroeger, toen ze allemaal nog ginder, in Hassana, waren, kende iedereen perfect zijn plaats: je had de clanoudsten, de familievaders, de troonopvolgers. Dat natuurlijk evenwicht is nu verbroken. Je zou kunnen zeggen dat hun Assyrisch verleden botst met het moderne Europa, want hier in hun gemeenschap in Mechelen zijn die oude structuren aan het afbrokkelen. Er komen gestudeerde jongeren naar voren. Ze kennen hun talen, Nederlands, Frans en Engels; ze helpen de anderen door de Belgische administratieve rompslomp als het moet, en de ene wil niet onderdoen voor de andere, vooral als het erop aankomt namens de hele gemeenschap te spreken. Dat vind ik normaal, maar ze zouden wel moeten begrijpen dat alles niet zomaar ineens kan veranderen. Toen de Marokkanen hier aankwamen, waren er nergens voorzieningen voor hen; die zijn er pas veel later gekomen. De Assyriërs zijn veel beter opgevangen en toch voelen ze zich nog te kort gedaan. Soms denk ik wel eens: we hebben ze verwend…

DE KASHA VAN SINT-ROMBOUTS

Op het aartsbisdom hebben ze me doorverwezen naar het dekenaat in de Gerechtstraat, een smalle zijstraat in de buurt van de Veemarkt. De dekenij is een herenhuis met grote ramen. Een hoge lege hal, de obligate ontvangkamer, waar donkere eik heeft plaats gemaakt voor witbladige vergadertafels. Deken Van Hertbruggen wordt mijn laatste Mechelse getuige over de mensen van Hassana. Als er iemand is die hun gelovige ziel kan doorgronden, moet hij het wel zijn, de katholieke kasha van Sint-Rombouts. Deken Van Hertbruggen doet me ergens denken aan gezond buitenleven, ver van Mechelen. Het blijkt te kloppen. Hij is een bereisd man die o.a. door het binnenland van Marokko heeft gezworven; hij kent Hebreeuws en Aramees. ‘Het is te zeggen, ik kan het lezen,’ zegt hij. Hij wel. De meeste Mechelaars willen het echter allemaal niet geweten hebben, zij zien wat ze willen zien. Deken Van hertbruggen illustreert een en ander met een anekdote. Ze klinkt inmiddels vertrouwd.

Een zaterdag in de zomer van 1999. Hij staat te kijken naar een Assyrische trouwstoet. Heel Hassana is gekomen; de mensen stromen uit de Sint-Pieterskerk op de Veemarkt. Een Mechelaar klampt de deken aan: dat het een schandaal is, dat hij zomaar toelaat dat ze van de kerk een moskee maken. De deken antwoordt dat die mensen al christenen waren toen er van Mechelaars zelfs nog geen sprake was. De man vindt dat de deken overal een uitleg voor heeft. De deken vraagt of de man zelf een kerkganger is, want dan zou hij toch beter moeten weten. ‘God nee, mij niet gezien,’ zegt de man. ‘Waarom protesteert u dan zo?’ besluit de deken. ‘Zij zijn namelijk wél kerkgangers.’ De anonieme Mechelaar beent geërgerd weg. Niet overtuigd en zeker niet wijzer.

Deken Van hertbruggen vertelt met een mals Antwerps accent. Hij is vijf jaar geleden naar Mechelen gekomen en hij heeft er de Assyrische christenen uit Hassana leren kennen. Hoe ziet hun toekomst er uit? Wat zal verdwijnen? Wat blijft? Deken Van Hertbruggen weegt het erfgoed van de Hasnaye en maakt de balans op.

Een oude wortel Voor de oudere Assyriërs is de Chaldese misviering op de Veemarkt zoiets als een nationale feestdag. Hun eigen geestelijken proberen de kudde bijeen te houden, maar dat blijft niet duren, denk ik. De jongeren die al beter geïntegreerd zijn, vervelen zich steendood in de chaldese mis. Kijk, ze zijn zo fier als een gieter als ze kunnen zeggen dat in hun kerkdienst de taal van Jezus wordt gesproken. Maar ze verstaan niks van dat oude Aramees en ze begrijpen ook niet veel van de ritus. Die hoort bij het land van hun ouders en dat is zo ver weg. Sommige jongeren, jonggehuwden die hier echt willen blijven, vragen al om hun kinderen te dopen in het Nederlands. We doen zo’n doop dan in de Vlaamse zondagsmis en onze eigen parochianen vinden dat tof en ze gaan die Assyrische mensen zelfs feliciteren. Dat is toch een mooi moment van publieke integratie. Op termijn zie ik veel veranderen, een gedeelte van hen zal zeker assimileren. De ouderen teren nu nog op hun heimwee naar vroeger en dat wordt doorgegeven aan de jongeren, maar die willen uiteindelijk vooruit, want wat je niet hebt gekend, dat mis je niet. Hun moedertaal Sureth zal misschien langer standhouden, als een soort identiteits- symbool, omdat die taal zo apart is en niets gemeen heeft met onze talen in Europa. De Assyrische kerkelijke rituelen rond het huwelijk, de doop, de begrafenis zijn wel zeer conservatief en bij hen komt er dan nog het extra sacrale van de liturgische taal bij. Dat zal blijven; voor het overige zullen de meesten zich op den duur gaan gedragen als gewone Belgen. Er is daar nog ergens dat emigrantengevoel, het gevoel dat ze ooit van ver zijn gekomen, maar dat kan je geen eigen cultuur meer noemen, dat is de laatste, emotionele binding met een oude wortel.

EEN KOERDISCHE JOURNALIST EN DE LAATSTE ASSYRIËR

Mechelen heeft gesproken. Ik loop over de Veemarkt, door de Keizerstraat, ik steek het drukke kruispunt op de ringweg over. Het station van Nekkerspoel, de zijweg links naar de Caputsteenstraat, waar Melkan Ishak woont. Het is een heel eind in de vochtige, koude schemering van december. De Hasnaye zijn van ver gekomen. Ze zochten het Beloofde Land, ze hebben Mechelen gevonden, de stad waar de nieuwe schepen Ali Salmi iedereen harmonieus wil zien samenleven.

Ik denk terug aan mijn bezoek aan de Koerdenstad Diyarbakir na mijn tocht door het christelijke Tur Abdin. In de Club voor Journalisten in het centrum van Diyarbakir maakte ik kennis met een Koerdische journalist. Zijn naam doet niet ter zake. We zaten ‘s avonds onder het gebladerte in de binnentuin, we dronken bier en raki. Mijn Koerdische gesprekspartner had heel wat te vertellen. Over Turken en Koerden, over moslims en christenen, over de wereld. Er is me niets van bijgebleven, behalve het laatste wat hij zei: Er zijn zoveel goede mensen op de wereld. Als ze allemaal één keer spuwen, kunnen ze makkelijk de ellendelingen die alles verzieken, verzuipen in dat spuug. Dat vond ik raak geformuleerd. Toen. Het is alleen jammer dat het zo niet werkt: fatsoenlijke mensen spuwen niet; het zijn de anderen die altijd en overal hun gal en hun gif uitspuwen.

Een oude wortel, zei deken Van Hertbruggen. Is het dat soort verknochtheid dat de mensen van Hassana in Mechelen bindt. En hoelang nog? Misschien heeft de Armeens-Amerikaanse schrijver William Saroyan het antwoord al lang geleden gegeven in zijn verhaal Zeventigduizend Assyriërs. Dat speelt zich af in San Francisco op een koude decemberdag van 1933, enkele maanden na de uitmoording van de Assyrische christenen van het dorp Simele in Noord-Irak. Saroyan laat zijn haar bijknippen. Hij vermoedt dat de jonge kapper, Badal, ook een Armeniër is, maar het blijkt een Assyriër te zijn. Saroyan voelt verwantschap: Zij, de Assyriërs, waren afkomstig uit ons deel van de wereld. Ze hadden neuzen als onze neuzen, ogen als onze ogen, harten als onze harten. Ze hadden een andere taal. Als ze spraken, verstonden we hen niet, maar ze waren grotendeels zoals wij. Badal stort zijn hart uit, hij kan zelfs zijn Assyrische moedertaal niet lezen. Dat heeft ook geen zin meer: Ik ben in het oude land geboren, maar daar is alles weg. Ooit waren we een machtig volk, nu zijn we nog enkel een onderdeel van de oude geschiedenis. Onze natie is weggeveegd. We hebben ons met verkeerde dingen beziggehouden, met simpele dingen zoals vrede en rust en familie. We hielden ons niet bezig met machinerie en verovering en militarisme, we hebben ons niet toegelegd op diplomatie en bedrog en op het uitvinden van machinegeweren en gifgassen. En nu kunnen we zelfs niet meer dromen. Weet je hoeveel er van ons nog over zijn? Zeventigduizend, zeventigduizend Assyriërs op de hele wereld. Mijn broer is gehuwd met een Amerikaans meisje en hij heeft een zoon. Er is geen hoop meer, we proberen Assyrië te vergeten. Mijn vader leest nog een Assyrische krant uit New York, maar hij is een oude man, hij zal spoedig sterven.

Wat valt er verder nog te zeggen? Saroyan verlaat de kapperszaak. Het zint hem niet, die teloorgang van een volk, een cultuur, een beschaving. Hij weet dat er wél nog hoop is en de laatste woorden van zijn verhaal zijn een eerbetoon aan de laatste erfgenaam:
‘Ik denk aan Badal, aan de man die staat voor zeventigduizend, voor zeventig miljoen Assyriërs, de man die zelf Assyrië is en de mensheid, de man die in een kapperszaak staat, in San Francisco, in 1933, en die toch, hij heel alleen, de hele natie is’.

GRANAATAPPELS

Melkan zit over de gedetailleerde wegenkaart van Oost-Turkije gebogen. We stippelen de route uit en drinken er een kopje thee bij. Melkan Ishak, in Mechelen, eind december 2000. Hij heeft me geïntroduceerd bij de mensen van zijn geboortedorp, hij heeft me de geschiedenis van Hassana gegeven. Het was het laatste christelijke dorp in het moslimgebied van de Bohtan-vlakte; het was een dorp dat zich bezighield met simpele dingen, met landbouw en weven en familieclans; het was een dorp dat zich niet toelegde op politiek en leger en guerrilla. Maar die laatste dingen hebben het dorp wel vernietigd.

Melkan Ishak is een van de weinige getuigen met voldoende overzicht. Ik kijk naar hem, naar de jonge Assyriër die in mijn ogen staat voor driehonderd families, voor alle Hasnaye, die zelf, hij alleen, heel Hassana voor me heeft bewaard.

Onze reis is gepland in mei 2001. ‘Het zal niet makkelijk zijn,’ zegt Melkan. ‘Tot Silopi is er geen probleem, maar Hassana zelf, dat zal van het Turkse leger in de buurt afhangen.’ Als het lukt, zijn we de eersten die naar het dorp teruggaan. Naar de overwoekerde ruïnes van wat eens Hassana was. Als het lukt, zullen we naar de tuinen gaan. Naar Melkans familiegrond, waar verwilderde granaatappelbomen staan. Als het lukt, zullen we een zakje vullen met rode aarde van Hassana.

In zijn nieuwe woning in de wijk Nekkerspoel in Mechelen vult Melkan een pot met Hassana-aarde. Hij plant een granaatappelboompje, in de hoop dat het vruchten draagt. ‘De granaatappel is het symbool van de eendracht,’ zegt Melkan. ‘Het zou mooi zijn als we de vruchtjes konden verdelen onder de families van onze gemeenschap hier’ Dat zou inderdaad mooi zijn, vind ik, granaatappels uit Hassana. Melkan schudt bedachtzaam het hoofd. ‘Uit Mechelen,’ zegt hij.‘Uit Mechelen aan de Tigris.’

Mei 2001.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift