Oost-Congo: de allianties wisselen, de toekomst blijft onzeker

Negen jaar is het geleden dat er in Rwanda een genocide gepleegd werd. Met misschien wel een miljoen doden, voor een groot deel Tutsi. Na de volkerenmoord is het Gebied van de Grote Meren nooit tot rust gekomen. In Congo woedt ruim zes jaar een gewapend conflict dat van het ene bloedbad in de andere slachtpartij rolt. Een gang van zaken die niet te stoppen lijkt, tenzij het vredesakkoord dat half december in Pretoria gesloten is, standhoudt. Guy Poppe is ter plaatse voor MO* poolshoogte gaan nemen
Beni ziet oranje. De kleur van de Celtel-affiches overheerst in deze stad, niet zover van de grens met Oeganda. Celtel is een van de maatschappijen die in Congo het mobiele telefoonverkeer verzekeren. Een gsm in Beni, waar er tot vlak voor onze aankomst, geen enkele vorm van communicatie was met de buitenwereld, dat is een revolutie. In de gelagzaal van de Riviera laadt een hoertje haar mobieltje op.

Als ik Robert Ducarme bel, blijk ik de eerste te zijn die hem op zijn nieuwe nummer bereik. Met de landingsrechten op de vluchten naar Beni en de belastingen die zijn houtfirma betaalt, financiert die Belgische zakenman de plaatselijke administratie. Die is in handen van de rebellen van de RCD-K/M-L . Rebellenleider Mbusa Nyamwisi heeft twee toestellen naast zich liggen. ‘Kinshasa, c’est une communication locale maintenant’, glundert hij. Kinshasa, stel je voor. De hoofdstad van Congo ligt even ver van Beni als St.-Petersburg van Bordeaux, en bovendien ligt ze in regeringsgebied.
Beni heeft nog meer verrassingen in petto.
Als we de stad uitrijden om zo’n 30 km noordelijker, in Mangina, déplacés op te zoeken - er zitten er daar 35.000 die de oorlog in Ituri ontvlucht zijn - dan zien we onderweg enkele soldaten van het Congolese regeringsleger rondslenteren. ‘Neen, er zijn hier geen vier compagnieën, zoals andere rebellenleiders me verwijten’, verbetert Mbusa ons. ‘Het gaat om een honderdvijftig soldaten, die ik uit Kinshasa heb laten overkomen.’ Wat Mbusa’s rebellentroepen niet aankunnen, moeten die regeringssoldaten klaren: de begeleiding van de 400 Maji Maji strijders die tussen Beni en Mangina gekantonneerd zijn. Die plaatselijke milities streden jarenlang als de facto bondgenoten van Kinshasa.
De machtsverhoudingen zijn veranderd. Toen Mbusa destijds met zijn medestanders in het zuidelijker gelegen Goma brak, mocht hij van zijn Oegandese beschermheren een tijdlang het noordoosten van Congo als zijn territorium beschouwen: Ituri en het uiterste noorden van Noord-Kivu, le grand nord. Die tijd is voorbij. Mbusa’s RCD-K/M-L heeft een alliantie gesloten met de Maji Maji (of toch met 2 van de 3 groepen die in de streek bedrijvig zijn), en heeft werk gemaakt van toenadering tot Kinshasa. Geen kwaad woord over Kabila jr. overigens, een groot verzoener, de jonge president. Zijn foto hangt op een prominente plaats in het kantoor van de gouverneur. Die uiteraard door Mbusa aangesteld is. U volgt toch nog?
Je zou haast concluderen dat het vredesakkoord, dat zowat alle strijdende partijen in Pretoria gesloten hebben, in Beni een begin van uitvoering krijgt. Maar Mbusa heeft natuurlijk zo zijn eigen redenen om goede maatjes te worden met de Congolese regering.
Eind december zit hij in nauwe schoentjes: de troepen van Jean-Pierre Bemba’s MLC zakken af naar Beni. De inkt waarmee Bemba in Pretoria getekend heeft is net droog. Het is naar Congolese normen hoog tijd om het akkoord als een vodje papier te behandelen. ‘Ze zullen me in Beni met open armen verwelkomen’, laat Bemba’s medestander Roger Lumbala (van nog een RCD-fractie, RCD-National) op de radio horen. Dat vinden ze daar in Beni, waar ze Bemba al twee keer een tijdlang hebben moeten verdragen, een lichte vorm van overdrijving. Ze reageren met een ville morte, een algemene staking die hem ervan moet overtuigen dat het veeleer afkeer is dat ze voor hem voelen. Dat Mbusa van alliantie wisselde en Oeganda’s Museveni inruilde voor Kinshasa’s Kabila, moeten we dan ook zien als een zet om Beni een derde Bembabezetting te besparen.
Er is alle reden toe om Bemba’s leger ver weg te houden. Eind december is het, in Ituri, Mambasa binnengevallen, 130 km ten noorden van Beni, en bij dat offensief hebben zijn soldaten zich schuldig gemaakt aan kannibalisme. VN-waarnemers hebben dat onomstotelijk vastgesteld. De veiligheidsraad heeft Bemba daarvoor gekapitteld. Voor de Italiaanse pater Silvano is de maat vol: ‘Dat heb ik nooit meegemaakt in de 33 jaar jaar dat ik hier ben.’ Hij trekt naar Kampala, waarschuwt de pauselijke nuntius en enkele diplomaten. Die beginnen op hun beurt lawaai te maken, zoals een van hen het me later omschrijft. Dat helpt, want Bemba trekt zich terug uit Mambasa en staakt zijn opmars naar Beni.
De gebeurtenissen in Ituri geven te denken. Vooreerst kun je besluiten dat Bemba een gewetenloze bandiet is - “un chef de guerre”, een krijgsheer noemt Ducarme hem - van wie je je niet kan voorstellen dat iemand hem ooit als vice-president van Congo accepteert. Dat geen mens een hoge pet opheeft van de overeenkomst van Pretoria, is een tweede conclusie. Bemba tovert die overeenkomst op het terrein om in een nachtmerrie. #39;Onuitvoerbaar’, bevestigt Mbusa.
Een derde gevolgtrekking opent perspectieven: de Congolese samenleving bezit een onblusbare dynamiek. Samuel Boroto, de drijvende kracht achter de ville morte in Beni, zijn militairen komen zoeken tot in het huis van zijn buurman, waar hij gelukkig net weer weg was. Een symbool van zijn gemeenschap, onverzettelijk, niet kapot te krijgen. Ook in Bukavu voel je die onderliggende kracht. Het belooft voor de toekomst. Over vijftig jaar of zo.
Bukavu legt RCD-Goma elke eigenaar van een voertuig op om de groene nummerplaat te vervangen door een blauwe. Dat kost je, afhankelijk van de grootte van je wagen, tot 120 dollar. Zoiets bezien ze in Bukavu  waar ze al sinds de tijd van Mobutu een traditie van verzet opgebouwd hebben - als een nieuwe vorm van economische plundering. Daarvoor geven ze buurland Rwanda de schuld, want sinds dat land in oktober zijn troepen officieel teruggetrokken heeft, blijkt open en bloot dat RCD-Goma zonder Kigali, buiten enkele steden, zo goed als onbestaand is. Scholieren houden auto’s met een blauwe plaat tegen en zetten hun banden plat.
“De Congolezen moeten het zelf doen”, herhaalt staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking Boutmans  in Brussel, in Kinshasa, in Bukavu, en op vele plaatsen. Maar is het u, in het verhaal over de gebeurtenissen in Ituri, ook opgevallen dat de internationale gemeenschap, als ze dat wil, de situatie naar haar hand kan zetten? Dat ze Bemba kan terugfluiten als hij mijlen over de schreef gaat, bijvoorbeeld?
De Congolezen schreeuwen om zo’n ingreep. Soms formuleren ze dat zakelijk als “verruim het mandaat van de VN-waarnemers”. Zei een dominee: ‘Nu staan ze aan de zijlijn pour compter les cadavres.’ Een vluchteling uit Mambasa verwoordt het emotioneel als : ‘Vous, les Belges, vous êtes quand-même nos papas.’ Zo spreken ze ons aan, niet eens meer als noko, oom (die weliswaar al ruim veertig jaar verstek geeft op de familiefeestjes). Alsof ze, naarmate hun verweesdheid groeit, de familiebanden aan willen trekken. Maar wat ook het beeld is, de boodschap is glashelder: zonder hulp van buitenaf komen de Congolezen er niet uit. Als ze over vijftig jaar een duurzame vrede willen beleven, dan moet er nu iemand de knop mee om helpen draaien.
Er rijden in Bukavu auto’s zonder nummerplaat rond. Sommige chauffeurs hebben de gehate nieuwe aan boord, andere alleen de kwitantie zodat ze kunnen aantonen dat ze wel degelijk betaald hebben. Nog anderen wekken gewoon de indruk dat ze de plaat hebben, maar niet op de wagen durven bevestigen.
Een man als Bemba, uit op macht en rijkdom, is geen uitzondering in het gebied van de Grote Meren. Hoe kan het ook anders? In Beni valt er geld te verdienen met de uitvoer van hout, koffie en papaïne. Wat zuidelijker, in Butembo, wordt een luchthaven gebouwd, voor de handel met het Midden-Oosten, en een dam om elektriciteit op te wekken voor de stad. Dat hebben ze daar sinds de onafhankelijkheid nooit gehad, maar wie houdt er ondernemende Congolezen nog tegen nu er geen gezag meer is die naam waardig ? Geen Mobutu, geen Mouvement Populaire de la Révolution, geen Laurent Kabila, geen Alliance des Forces Démocratiques pour la Libération, en een RCD-K/M-L dat ook maar weinig voorstelt.
Ten noordoosten van Beni, in Ituri, dicht tegen de grens met Oeganda aangeschurkt, ligt Bunia. En wie Bunia zegt, denkt Kilo Moto, de goudmijn. Logisch dat we ook daar iemand aantreffen die begerig naar dat blinkende mineraal blikt.
Thomas Lubanga heet hij. In wezen is hij een vulgair krijgsheer die zijn moordende Hema-militie een politiek uithangbord gegeven heeft: UPC, Union Patriottique Congolaise. Lubanga is de laatste tijd van merk veranderd. Reed hij eerst voor de Oegandese militairen, die met handel en smokkel hun soldij fors aanvullen, dan is hij nu de waterdrager van het Rwandese leger. Lubanga is niet in Pretoria geweest en heeft dus zijn handen vrij. Hem kun je niet verwijten dat hij een akkoord breekt.
Als gevolg van de vuile oorlog is in Ituri een massa mensen op de dool. Het woud, de heuvels of de brousse ingevlucht. Een kwart miljoen, becijfert de gouverneur van Beni. Nog net iets meer, bevestigen de vertegenwoordigers van Ocha, de vluchtelingenorganisatie van de VN. ‘Er is te veel te delven bij ons’, zucht dominee Josué Kakoraki, zelf weggevlucht uit Bunia, ‘de boom waarnaar ze stenen gooien, is die met de meeste vruchten’.
De gendarmes begeleiden in Bukavu auto’s met een foute nummerplaat naar een stelplaats. Daar kom je niet weg vooraleer je betaald hebt. Maar een biljet van 10 dollar doet wonderen. Als je dat enkele keren voor hebt, dan had je evengoed voor de plaat kunnen dokken, maar in Bukavu hebben ze principes.
Voor de Rwandezen komt Lubanga als een geschenk uit de hemel. Ze breiden via hem hun invloedssfeer naar het noorden uit, tot in een gebied waar met goud, diamanten, coltan, hout en tabak schatten te verdienen zijn. Een nieuw wingewest, Lebensraum. Dat houdt het risico in dat het op Congolees grondgebied nog maar eens, zoals eerder al twee keer in Kisangani, tot een openlijke confrontatie komt tussen het Rwandese en het Oegandese leger.
Het Rwandese optreden heeft consequenties. Het voedt de blinde haatgevoelens van Congolezen tegenover alles wat naar Rwanda ruikt. Met uitspraken als ‘Rwanda wil geen echte Congolese staat’, ‘Rwanda is voor de opdeling van Congo’ teken je, hoe scherp ook, het resultaat op van politieke analyses. Maar als in Beni de fine fleur van de société civile één pot nat maakt van Tutsi en Hema, en van in hun ogen verwante volkeren als Eritreërs en Somaliërs, en die vervolgens collectief aansprakelijk maakt voor wat er in Congo fout gaat, dan zitten we gevaarlijk dicht bij een denkwijze die in Rwanda tijdens de aanloop naar de genocide van 1994 bon ton was.
Er is in Ituri een samenspel van krachten aanwezig  de verstrengeling van politieke en economische macht, milities, etnisch geweld, een extremistisch discours, en op de koop toe een haatradio, Candip, een kloon van Radio Mille Collines , waardoor je onwillekeurig aan Rwanda terugdenkt. Het Rwanda van voor de volkerenmoord, toen het daar een kruitvat was met dezelfde ingrediënten, en niemand door had hoe kort de lont wel was.
Natuurlijk roept de Rwandese machtspolitiek weerstand op. Een leger dat vanaf 1990 zijn invloed laat gelden in de hele regio van de Grote Meren. Militairen die dankzij hun overwicht systematisch de rijkdommen van Congo voor eigen gebruik exploiteren. Een regime dat, zoals Israël, zijn genocidekrediet misbruikt, en zich te buiten gaat aan machiavellistisch, moorddadig gedrag. Je ziet geen oplossing voor de eerste Afrikaanse wereldoorlog, als er niet iemand Rwanda tussen de lijnen laat kleuren. Ook die opdracht is voor de Congolezen te hoog gegrepen.
Zorg ervoor dat er meer aan de vrede dan de oorlog te verdienen is, dát is de sleutel voor de oplossing, wordt wel eens gezegd. Zoals Europa het conflict tussen Duitsland en Frankrijk ontmijnd heeft, door ze op te nemen in de Economische Gemeenschap voor Kolen en Staal. Maar hoe krijg je Rwanda zover om afspraken te maken over economische samenwerking, als het militair sterk genoeg is om de hele buit binnen te halen?
Als we van de luchthaven komen  we rijden met een blauwe nummerplaat , staat er op de Place de la Boue in Bukavu een verkeersagent. Un dur. Charlotte vist van onder de achterbank een witte vlag op, die daar nog ligt van toen ze een Duitse ministeriële delegatie op was gaan halen. Ze steekt ze door het raampje van de auto. We worden niet verontrust. De nieuwe gouverneur  hij is één van de dertig die in januari ter dood veroordeeld is voor de moord op president Kabila sr.  zegt ons dat hij een modus vivendi nastreeft. Een manier om samen te leven, veel Congolezen willen daar graag hun handtekening onder zetten.

RCD-K/M-L : Rassemblement Congolais pour la Démocratie, afsplitsing Kisangani, van Mbusa Nyamwisi. Ook wel Mouvement de Libération genoemd. De controle over de stad Kisangani is ze kwijtgespeeld aan RCD-Goma.

MLC : Mouvement de Libération Congolais, van Jean-Pierre Bemba. Heeft een groot deel van het noorden onder controle.

RCD-Goma: Rassemblement Congolais pour la Démocratie. Is baas in Goma en Bukavu. Sterk afhankelijk van Rwanda.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3068   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift