Voedsel en gezondheid op straat in Lubumbashi

In Lubumbashi op straat wordt voedsel verkocht. Voor verkopers een bron van inkomsten, voor klanten soms de enige maaltijd. De les nutritionele antropologie besprak het fenomeen en haar implicaties, ik toetste aan de realiteit.

  • © MO*/Kristien Spooren Ook op de campus is een knabbel welkom. © MO*/Kristien Spooren
  • © MO*/Kristien Spooren Een vrouw zoekt schaduw op. © MO*/Kristien Spooren
  • © MO*/Kristien Spooren​ Verkoopsstanden. 's Namiddags is het hier over koppen lopen. © MO*/Kristien Spooren​
  • © MO*/Kristien Spooren​ Groenten en fruit. © MO*/Kristien Spooren​
  • © MO*/Kristien Spooren​ Beignets in plastieken emmers. © MO*/Kristien Spooren​
  • © MO*/Kristien Spooren​ Halte Kassapa. © MO*/Kristien Spooren​

Langs de weg in Lubumbashi venten straatverkopers. Ze lopen met manden op het hoofd, staan even stil om adem te halen, lokken klanten, gaan weer verder. Ze zijn niet te tellen en ze zijn verschillend. Kleine kroezelkoppen wisselen af met rijkgekleurde pagnevrouwen, schoolmeisjes met oudjes zonder tanden. Hier en daar zeult iemand een baby mee.

De wereldwijde voedselcrisis treft ook Congo. De rijkere klasse en de expats kunnen in supermarkten kopen en zijn daarom minder afhankelijk van de plaatselijke economie en landbouw. In Byakula (P. Petit) lees ik dat niet alle, maar wel de meeste middenklasse- en arme gezinnen leven op een enkele consistente maaltijd per dag. Een analyse over voedsel bespreekt drie categorieën: de hoofdmaaltijd, de grignotage en de en-cas.

Het snacken is voor de relatief welgestelden en niet uit honger. Het betreft kleine tussendoortjes, gegeten voor het aangename en de gezelligheid of thuis voorgeschoteld voor gasten. De en-cas stillen de honger in afwachting van de echte maaltijd. Ze helpen kinderen die een hele dag op school blijven, arbeiders met een lege maag en weinig tijd, mijnwerkers ver van huis. Wat er dan precies gegeten wordt in elk van de categorieën, hangt af van het seizoen.

Katanga kent geen vier, maar twee seizoenen. Het droog seizoen loopt van mei tot oktober, het regenseizoen van november tot april. Beide perioden hebben logischerwijs invloed op de landbouw en zo ook op het voedingspatroon van de lokale bevolking. Sommige producten worden het hele jaar door verbouwd, maar smaken anders naargelang het seizoen. De regen brengt meer variatie, meer oogst, meer zekerheid.

© MO*/Kristien Spooren​

Halte Kassapa.

In tijden van crisis wordt wat schaars is extra bijzonder. Wanneer grootmoe ’s ochtends brood in koffie doopt en doorheen de dag wat kleine dingen knabbelt en ik haar om 15u vraag of ze vandaag al iets gegeten heeft, schudt ze het hoofd. Ook al kreeg ze puur nutritioneel wel wat binnen, het slappe brood, de bananen, de maniokstukken en de pindanoten beschouwt zij niet als voeding. Pas wanneer ze ’s avonds bukari klaarmaakt, zal ze bevestigend antwoorden. 

Het doet me denken aan de les Ethnomédecine. Ook in de traditionele geneeskunde is het standpunt eerder sociocultureel. Denken over ziektes, net als denken over voedsel, gaat verder dan louter kijken naar de biologie. Ziekte en gezondheid worden geprovoceerd en in stand gehouden door opvattingen over de maatschappij, het culturele leven en contacten met de voorouders en het geestenrijk.

Het belang van bukari blijkt ook uit haar bijnaam: “boule nationale”. Bukari wordt gegeten door alle lagen van de bevolking in nagenoeg alle delen van het land. Andere bewoordingen zijn Mungu wa hapa cini, ‘God hier op aarde’ en lufwalu, “voici la mort”, een geldige reden om voor te sterven. Bukari wordt gemaakt van maïs- en/of maniokmeel en is een noodzakelijk onderdeel van de hoofdmaaltijd, zowel in droog als in regenseizoen. De textuur doet een beetje denken aan broodbakkersdeeg. Je eet het door er stukjes af te breken met je rechterhand. Op het bord liggen vaak ook groenten (nyanya, sombe, lenga lenga, maniokbladeren) en vis. Rijkere huishoudens schotelen soms kip voor en zetten ook tomatensaus op tafel. Macho’s kunnen het maal spijzen met pikante piment.  

Op straat

Ze zuchten, de verkopers. Ze roepen. ‘Madame, 200 FC! Madame, kuja. Madame, bananes?’ Ik proefde wel, maar voor mij is het louter even tussendoor. Voedsel op straat is voor het merendeel van de lokale bevolking van de categorie en-cas, een ander deel beschouwt de eetwaar echt als maaltijd en zal thuis niets meer consumeren. In elk geval is deze alimentation de la rue een niet te onderschatten deel van het dagelijkse leven. In hoeverre is dit straatvoedsel een zegen, dan wel problematisch?

Mijn cursus definieert de term als ‘l’action d’acheter et de consommer sur place, les denrées alimentaires exposées et vendues le long de la rue.’ Het gaat om eieren, bananen, appelsienen, appels, pindanoten, maniok, maïs, yoghurt, brood, zoete aardappelen, cake, beignets, lolly’s, mango’s, munkoyo (een plaatselijke drank), kikanda (pindanotenpâté), gehaktballen, snoepjes, koeken, ijslolly’s, masuku (kleine wilde vruchten), matungulu ya pori (wild fruit), suiker, michopo (geroosterd geitenvlees), sap, worsten, wafels, industriële frisdrank, may matalala (water in zakjes) en dasani (flessenwater). 

Sommige verkopers lopen de hele dag rond, zeulend met emmers en manden, anderen zoeken een strategische plaats uit. Ze verkiezen grote verkeersaders, pleinen, bushaltes, plekken naast drukke straten, schoolbuurten. Soms worden ze microhandelaars met kleine permanente kiosken, al dan niet met een specialiteit. Hier en daar in de stad duiken geitenvleeskraampjes op.

© MO*/Kristien Spooren​

Groenten en fruit.

Ook op straat zijn sommige producten het hele jaar door en andere slechts naargelang het seizoen verkrijgbaar. Koelboxen houden yoghurt, sap, frisdrank en ijslolly’s fris. Verschillende andere producten (pindanoten, beignets, kikanda…) worden echter bewaard in plastieken emmers of liggen onbedekt op een schaal. Ze zijn zo niet of nauwelijks afgeschermd van externe factoren als vliegen, stof of hitte.

Beignets worden bovendien vaak ter plaatse bereid. Gezeten op gele bidons snijden kleurrijke vrouwen grote brokken deeg in stukken. Ze wasten hun handen niet, zweten wel, steunen soms op de grond om recht te komen. Wanneer een klant een beignet koopt, opent de verkoopster de emmer en laat ze hem of haar zelf kiezen. Met de handen zoekt de klant naar de krokantst gefrituurde, de zachtste, de warmste… deegbol, want schaars geld moet zorgzaam uitgegeven worden. 

De vijfsecondenregel?

Soms worden voedingswaren onbewaakt gelaten. Dat is zo wanneer de zon te hard steekt, er een plaspauze nodig is of de voorraad vanuit huis aangevuld moet worden. In buitenwijken maken kippen, geiten, honden en varkens van deze onoplettendheid gebruik om hun buikje rond te eten. De beignets die overblijven worden verder verkocht. Eens opgemerkt jaagt een vrouw de beesten na. De dieren vluchten, stoten de manden voedsel om, een tweede vrouw helpt verzamelen, de deegbollen belanden weer in de emmer. 

Munkoyo is verfrissend, lekker en heel erg typisch ‘van hier’. De servering op straat gebeurt met plastieken bekers. Klanten betalen en krijgen een beker drank, die ze erna in een bak water uitspoelen. Deze spoelbak gaat een dag mee, want het water is te kostbaar om telkens vervangen te worden. Besmetting loert om de hoek. Soms vallen al gevulde bekers op de grond en worden ze gedachteloos hergebruikt zonder eerst afgespoeld te worden. 

Een ander probleem situeert zich op vlak van legaliteit. Verkopen op straat is niet zomaar toegestaan, want de venters ontvluchten belastingen. Speciale politie-eenheden rukken onaangekondigd en bruut uit voor controle en arrestaties. Wanneer dit gebeurt, ontstaat er paniek. De verkopers grabbelen hun boeltje snel bij elkaar. Manden en emmers vol beignets, brood, noten en maniokstukken vallen daarbij al eens om en worden even snel weer bijeen gescharreld, ze blijven immers een bron van inkomsten. Microben en ziektes krijgen vrij spel.

© MO*/Kristien Spooren​

Beignets in plastieken emmers.

Wanneer de eetwaren in goede staat zijn, vragen verkoopsters een redelijke prijs. Dit is vooral zo bij bananen, mango’s en appelsienen. Overrijpe, soms bijna bedorven vruchten worden met fikse kortingen snel van de hand gedaan. De armere klant denkt aan zijn portemonnee en koopt zonder zich vragen te stellen.

Een bijkomend aspect van voedsel op straat is de impact ervan op het milieu. Snoeppapiertjes, plastieken zakken, frisdrankflessen, koekwikkels, bananenschillen… ze ontsieren en vervuilen de straten. Het afval verstopt de goten. Hopen rommel vergaan niet of composteren als broeihaarden voor microben. 

Wat nu gedaan?

Hoe problematisch soms ook, het straatvoedsel is voor velen een kans om te overleven. Zij die verkopen verdienen geld, zij die kopen hebben te eten. Zij die verkopen hoeven geen belastingen te betalen, zij die kopen hebben niet het geld om normale maaltijden te bereiden, beiden gevolgen van de economische crisis. Het ontbreekt de hardst getroffenen aan inkomsten en tijd (werken is belangrijk) om betere oplossingen te zoeken. Er is een aanpak nodig die goed is voor het individu, koper of verkoper, maar ook voor de publieke gezondheid.

R. Lubembo stelt voor: ‘Il serait mieux que l’autorité municipale encadre les vendeurs par l’obligation d’un étalage hygiénique.’ Ook vuilnisbakken en een vuilnisophaaldienst kunnen helpen. Ecologie en publieke (en bijgevolg ook individuele) gezondheid gaan immers hand in hand. Een derde, niet te onderschatten luik is educatie, zowel op vlak van hygiëne als op vlak van milieu, op school of via radio of televisie, misschien zelfs met de hulp van theatergroepen. De bevolking in Lubumbashi heeft niet de gewoonte afval te deponeren in vuilnisbakken, laat staan het te sorteren. Ik zie kinderen papiertjes op straat gooien, taxichauffeurs koekwikkels uit het raam slingeren, bewakers van La Plage colablikjes in het water kegelen. Verandering moet structureel en op vlak van mentaliteit. 

Hier en daar bloeien alternatieven. Oogstende landbouwers bedekken de bodem van hun mand met grote bladeren, zodat kleine vruchten niet door de gaten in de modder vallen. Sommige verkopers wassen hun recipiënten keer op keer in proper water. Andere dames gebruiken een plastieken zakje als handschoen wanneer ze beignets bereiden of lenen hun klanten een vork. Meneer Roger bouwt een café. Hij doet dat door al wat hij vindt te recycleren. En juf Sabrine van de Belgische school knutselt kastelen met afvalpapiertjes. Meer van dat, alsjeblieft.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Identiteit in Congo

    Kristien Spooren studeert Afrikanistiek en werkt als vrijwilliger voor de vzw Rock Bujumbura. In het kader van haar studies verblijft ze enkele maanden in Lubumbashi, Congo.