Creatief met cijfers

Ons ontwikkelingsbeleid staat of valt niet met het halen van de symbolische 0,7 procent. Maar de regering maakt er zelf keer op keer een punt van en dan mag publiek en parlement haar er ook op afrekenen. Ernstig onderzoek van de cijfers levert een onvoldoende op voor het tussentijds rapport.
Wat we de voorbije jaren meermaals in MO* voorspelden, wordt stilaan werkelijkheid: de ambitieuze retoriek van de regering Verhofstadt, vooral van de premier zelf, over het optrekken van onze ontwikkelingshulp dreigt fataal in botsing te komen met de werkelijkheid. Oppervlakkig bekeken bestaat de kans nog dat België de belofte waarmaakt dat het tegen 2010 0,7 procent van zijn inkomen aan hulp besteedt. Wie de cijfers nader bekijkt, krijgt een ander beeld. Vorig jaar daalde de Belgische hulp van 0,53 procent naar 0,48 procent van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) en in die 0.48 procent zit nog een heel pak schijnhulp.
Dit is geen academisch debat, het gaat immers om de strijd tegen de armoede in de wereld. In 2000 ondertekenden alle landen ter wereld de belofte de armoede tegen 2015 te halveren. De ontwikkelingslanden zouden een goed beleid voeren, de rijke landen zouden onder andere meer geld op tafel leggen. Zoals zo dikwijls vergenoegde premier Guy Verhofstadt zich niet met een plaatsje in het peloton: België zou al tegen 2010 0,7 procent van zijn inkomen aan hulp te besteden. Daartoe werd in de programmawet van december 2002 zelfs vastgelegd dat de regering ieder jaar toelicht hoe ze via “een jaarlijks volgehouden stijging” tegen 2010 die 0,7 procent zal bereiken.

Paarse Lucht


Wie de puur boekhoudkundige voorstelling van zaken volgt, ziet de regering die 0,7 procent naderen. Dat gebeurt echter met te weinig echt geld waarmee ontwikkelingslanden daadwerkelijk armoede zouden kunnen bestrijden. Paars lijkt verstrikt te zijn in zijn eigen cijferfetisjisme. Zo telt de regering sinds drie jaar de opvang van asielzoekers mee als ontwikkelingshulp. Veel misleidender is de massale kwijtschelding van commerciële schulden -de laatste vijf jaar goed voor 15 procent tot zelfs 41 procent van onze hulp. Dat is meteen de verklaring waarom die hulp enorm schommelt: in 2003 haalden we 0,61 procent van het BNI, maar een jaar later zakten we naar 0,41 procent.
Schuldkwijtschelding is een oude eis van de Noord-Zuidbeweging maar de regering wekt de verkeerde indruk als ze elke schuldkwijtschelding voor 100 procent inschrijft op het budget ontwikkelingshulp. Ten eerste gaat het voor wat betreft de grote bedragen om commerciële schulden die ontstaan zijn doordat overheden of bedrijven uit ontwikkelingslanden in het verleden de levering van Belgische producten of diensten niet hebben betaald. Omdat de Belgische exporteurs verzekerd waren tegen wanbetaling bij de openbare verzekeraar Delcredere, nam Delcredere die schulden over.
Die Delcredereschulden maken de voorbije jaren telkens een groot deel van onze hulp uit. Het is zeer de vraag of dit ontwikkelingsbijdragen zijn. Tenslotte dekt Delcredere ook wapenleveringen en beoogt Delcredere eerder exportsteun aan Belgische bedrijven dan ontwikkeling. Bovendien gaat het meestal om schulden die al jaren niet meer worden afbetaald. Door die schulden kwijt te schelden, krijgt het betrokken land dus niet méér geld in het laatje. Het kost de Belgische regering ook niets, want Delcredere heeft die dubieuze schulden doorgaans allang afgeschreven.
Toch mag de regering volgens de internationale definitie van hulp zo’n kwijtschelding voor 100 procent boeken als hulp. Delcredereschulden kwijtschelden, is dus een manier om het hulpcijfer op te krikken zonder dat het de Belgische regering iets kost, maar ook zonder dat het Zuiden er echt iets aan heeft. Daarom is het interessant om te zien hoe onze hulp evolueert als die Delcredereschulden niet meegeteld worden.
Zonder de luchtbel van Delcredereschulden bleef de Belgische ontwikkelingssamenwerking tot 2004 min of meer stabiel op 0,36 procent van het BNI. Vorig jaar was er voor het eerst een serieuze stijging naar 0,41 procent maar die gaat in 2006 deels verloren met een daling naar 0,39 procent. Dat laatste cijfer is een realistische schatting op basis van gegevens die de regering zelf verstrekt: voor 2006 was een totale hulp van 1581 miljard euro begroot of 0,50 procent van ons BNI, een daling tegenover 2005.
Dat is op zich al strijdig met de ‘jaarlijks volgehouden stijging’ uit de programmawet van 2002. En net als andere ministeries moet Ontwikkelingssamenwerking tegen het einde van het jaar zijn uitgaven temperen en desnoods stoppen met facturen betalen. ‘Voor 2006 mogen we maar 95 procent van onze begroting uitgeven’, zegt Kris Panneels van het Directoraat-Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking (DGOS). ‘Van het DGOS-begrotingsvooruitzicht van 901 miljoen euro gaat dus al 45 miljoen af.’ Daarmee zakt de totale hulp voor dat jaar al naar 1536 miljard, zo’n 0,48 procent van ons BNI. Als je van dat bedrag de (minstens) 300 miljoen kwijt te schelden Delcredereschulden aftrekt, zakken we terug naar 1,2 miljard echte euro’s, 0,39 procent van het BNI.

Onwijs, hoe dan ook


Wat leren we uit al dit gecijfer? Één. Dat 2006 een slecht jaar was, een terugval tegenover 2005. Twee, dat België zelfs mét de kwijtschelding van Delcredereschulden amper de indruk kan wekken dat we de 0,7 procent halen in 2010. Om die te realiseren moeten we immers 4 jaar na elkaar een stijging van 0,05 procent van het BNI realiseren. Dat is nog nooit vertoond. Drie, dat België zonder die Delcredereschulden absoluut niet op weg is naar de 0,7 procent en dat de volgende regering afstevent op het moment van de waarheid zodra er geen grote pakketten Delcredereschulden meer zijn. Dat moment kan er volgend jaar al komen.
De regering plant in 2007 een kwijtschelding van 400 miljoen Congolese Delcredereschulden, maar moet daarvoor groen licht krijgen van de internationale gemeenschap, en het is nog lang niet zeker dat die instemming er komt. Als er in 2007 inderdaad geen Delcrederelucht meer is, moet de regering in één klap een slordige 600 miljoen harde euro’s méér aan ontwikkelingshulp geven om de geplande 1,8 miljard euro of 0,55 procent van het BNI te halen. Hoe onwaarschijnlijk dat is, blijkt uit deze gegevens: in 2006 was het totale budget van DGOS zo’n 901 miljoen euro en de regering besliste in het laatste begrotingsconclaaf dat dit budget in 2007 tot 954 miljoen mag oplopen.
Tussen 2008 en 2010 zou het dan jaarlijks met 5 procent mogen toenemen, een goede 50 miljoen euro. Als het budget van DGOS, het kernbudget van ontwikkelingssamenwerking, maar met 50 miljoen per jaar mag stijgen, waar zal dan die massieve geldinjectie die nodig is om de 0,7 procent te halen, vandaan komen? Sommigen vrezen dat men militaire uitgaven in ontwikkelingslanden als hulp zal boeken. Anderen houden er rekening mee dat de politici na de verkiezingen de belofte van 0,7 procent in 2010 brutaal zullen laten vallen.
De kans is klein, maar zelfs indien België plots veel echt geld op tafel legt, is dat vanuit ontwikkelingsoogpunt geen goed beleid. Regeringen in het Zuiden hebben voorspelbare inkomsten nodig, geen bruusk evoluerende geldstromen, om beleid te kunnen voeren. Kortom, genoeg vragen voor onze volksvertegenwoordigers om de regering het vuur aan de schenen te leggen. In het jongste parlementaire debat over de kwestie zat echter weinig animo. ‘Alleen Zoë Genot (Ecolo) stelde pertinente vragen. Men moest mensen gaan zoeken om het quorum te halen’, zegt Han Verleyen van de ontwikkelingsngo 11.11.11.

De Stilte van De Decker

Het parlement laat kansen liggen om de regering en haar werk op het vlak van armoedebestrijding te controleren en te sturen. 
Op 14 juni 2005 stemden onze volksvertegenwoordigers een wet die de regering oplegt elk jaar in het parlement ‘een voortgangsrapport in te dienen over de stadia die bereikt werden om de millenniumdoelen te realiseren’. Uniek aan die wet was dat ze ook onze vertegenwoordigers in de Wereldbank en het IMF verplichtte te rapporteren over de manier waarop zij bijdragen tot het halen van de millenniumdoelen.

Het rapport voor 2006 was eind oktober klaar, vier maand na de wettelijk vastgelegde datum van 30 juni. Kort erna werd het bezorgd aan de voorzitters van Kamer en Senaat en sindsdien is er niets meer van gehoord. Zelfs geïnteresseerde parlementsleden wisten begin 2007 nog niet dat het rapport er was. Nochtans biedt het rapport voor de goede verstaander flink wat materiaal voor een stevige vragenronde.

Het rapport leert dat de 18 landen waar België zijn hulp concentreert, (traagjes) vooruitgaan voor heel wat millenniumdoelen, maar dat er in landen als Rwanda en Burundi nu meer ondervoede kinderen zijn dan 15 jaar geleden en dat tbc in heel wat landen oprukt. Ook blijkt dat België iets meer hulp besteedt in sectoren die direct met de millenniumdoelen te maken hebben.

Het rapport erkent dat coherent ontwikkelingsbeleid meer is dan hulp en aan alle domeinen raakt die van belang zijn voor ontwikkelingslanden: handel, milieu, veiligheid, technologie. Erg ver waagt het rapport zich hier niet. Begrijpelijk, het is in eerste instantie aan de politiek om dat terrein te verkennen. Ook van minister De Decker, die van coherentie nochtans een prioriteit had gemaakt, hebben we er maar weinig van gehoord. Al onze pogingen om voor dit artikel te praten met de minister zijn jammer genoeg blijven steken in de stilte van woordvoerder Eric Silance.

Daarnaast brengen onze directeuren bij IMF en Wereldbank, Willy Kiekens en Gino Alzetta, voor het eerst in zestig jaar openbaar verslag uit over hun werk in Washington. Dat verslag oogt vrij technisch, maar geeft toch een aanwijzing van de positie die België inneemt in die instellingen. Zo vernemen we dat ons land in het IMF benadrukt dat groei niet volstaat, en dat het beleidsvormen voorstaat die gericht zijn op gelijkheid en respect voor de vijf fundamentele arbeidsnormen van de IAO.

Hoe deze belangrijke keuze precies wordt verdedigd, blijft onduidelijk. Het rapport is een goede eerste aanzet naar een echt verslag met veel concrete cases en citaten. Alleen, als het parlement niet de moeite neemt om dat rapport te bekijken, heeft het geen zin dat Kiekens, Alzetta en vele andere ambtenaren er energie in steken. Democratisering van internationale instellingen kan niet zonder actieve nationale parlementen.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur