Het biobrandstoffendebat laait weer op

Gokken met voedsel

Europa wil zich op de kaart zetten als trendsetter in de bio-economie. De ervaring met biobrandstoffen doet echter een aantal verklikkerlichtjes knipperen. De Europese Commissie maakte daarom een wetsontwerp voor herziening van de huidige richtlijnen, waarover in het najaar gestemd wordt. De biobrandstoflobby steigert en heeft het over ‘de doodsteek’ voor de sector.

  • Een berg geoogste maïs wacht op verscheping in Nebraska, VS.

De productie van biobrandstoffen heeft het afgelopen decennium wereldwijd een enorme vlucht genomen. Sinds 2000 is de productie van biodiesel gestegen tot 19 miljoen ton per jaar. Europa is zelfs wereldleider als producent van biodiesel. Voor bio-ethanol zijn de VS en Brazilië de trekkers. Die groei is mede aangewakkerd door het Europese beleid. In het Europese klimaatpakket 2020 is in 2009 gesteld dat 10 procent van de energie in het transport tegen 2020 afkomstig moet zijn van hernieuwbare energie, voornamelijk op basis van biobrandstof. Tegen 2020 moet ook het CO2-gehalte van de brandstof met 6 procent naar omlaag.

Het Europese verbruik van biobrandstoffen in transport bedroeg vorig jaar 14,4 miljoen ton. In 2011 was dat 14 miljoen ton, volgens de Biofuel Barometer van EUobserver. 2012 zag dus een stijging van 2,9 procent, iets minder dan het jaar ervoor: tussen 2010 en 2011 groeide de sector met 5,3 procent. Met die totale omvang van biodiesel en bio-ethanol zit het Europese transport vandaag op een bijmenging (mix) van 4,7 procent, tegen 2020 moet dat dus 10 procent worden.

Rijden of eten

Het overgrote deel van de biobrandstoffen vandaag is “eerste generatie”, geproduceerd op basis van gewassen die ook voedingsgrondstoffen zijn: suikerriet, maïs, koolzaad, soja, palmolie, tarwe. Momenteel voert Europa 35 procent van de grondstoffen hiervoor in, maar om 10 procent te halen zal dat oplopen tot 50 procent.

De twee opeenvolgende voedselcrisissen van 2008 en 2011, met voedselrellen en forse prijsstijgingen tot gevolg, hebben echter de alarmbel doen rinkelen. Tal van rapporten hebben aangetoond dat de opmars van biobrandstoffen een wezenlijk aandeel heeft in de stijgende voedselprijzen en de krappe voedselvoorraden. Een rapport van Rabobank, Finding the Food-Fuel Balance van oktober vorig jaar, bevestigt die wisselwerking tussen biobrandstoffen en de voedselmarkten en stelt dat de voorraden van plantaardige olie de voorbije vier jaar de vraag niet kunnen bijhouden. Die voorraden bevinden zich op het laagste niveau in 38 jaar, terwijl men nog eens een stijging van de vraag verwacht met 23 miljoen ton tegen 2016. Daarom alleen al verwacht Rabobank een daling van de productie van biodiesel en stelt het rapport dat de 10-procentnorm wellicht niet gehaald kan worden, omdat het aanbod de vraag niet kan volgen.

Ook de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) wijst erop dat van de voorbije tien jaar er zes waren waarin de wereld meer voedsel consumeerde dan produceerde. We bevinden ons in een situatie van strakke markten en dat leidt tot prijsverhogingen, die vooral in ontwikkelingslanden de honger en de armoede verergeren. In voedsel importerende landen zijn de prijzen drastisch gestegen (zie kaderstuk).

Ook in Latijns-Amerika en in Afrika is de zoektocht naar teelgrond voor energiegewassen, samen met bodemspeculatie, een drijvende factor in het probleem van landroof. Tussen 2009 en 2013 zijn in Afrika 6 miljoen hectare ingenomen door Europese bedrijven voor de productie van biobrandstoffen.

Maïs die honger zaait

40 procent van de maïsteelt in de VS gaat naar de bio-ethanolproductie. Een recente studie van ActionAid, Fueling the Food Crisis. The Cost to Developing Countries of US Corn Expansion, kwam tot de conclusie dat die grotere vraag naar maïs en de stijging van de prijs ervan voor de maïs importerende ontwikkelingslanden een extra kostenpost van 8,75 miljard euro betekende in de periode 2005/2006 tot 2010/2011.

Voor Midden-Amerika bijvoorbeeld betekende dat extra kosten van 278 miljoen euro. In Guatemala nam de import toe van 9 procent in de vroege jaren negentig tot 40 procent nu, concreet een rekening van 69 miljoen euro. Guatemala zelf ziet een opmars van plantages van Afrikaanse palm en suikerriet. Het land heeft een extreem ongelijke verdeling van landeigendom: 92 procent van de kleine boeren beschikt over slechts 22 procent van de bodem. Hoewel in de Vredesakkoorden van 1996 is afgesproken daar iets aan te doen, vindt er vandaag een grotere concentratie plaats voor plantages van energiegewassen. Gemeenschappen die geen eigendomstitels hebben, worden met geweld van hun grond verdreven en schendingen van mensenrechten zijn schering en inslag. In buurland Honduras speelt zich precies hetzelfde verhaal af. In die kwetsbare landen staat de voedselzekerheid onder grote druk en profiteren de kleine boeren geenszins van de biobrandstoffenbonanza.

Klimaatwinst zero

En dan is er de CO2-balans, waar het allemaal om te doen was. Europees Commissaris voor Klimaatactie Connie Hedegaard was in oktober vorig jaar duidelijk: ‘Wat het klimaat betreft, zijn sommige biobrandstoffen – bovendien met Europees geld gesubsidieerd – even nadelig of zelfs nog erger dan fossiele brandstoffen.’

Als men de analyse maakt van de hele productieketen, blijkt voor een aantal gewassen dat sommige biobrandstoffen evenveel of misschien nog meer CO2 uitstoten dan fossiele brandstoffen. Die negatieve balans heeft te maken met het indirecte landgebruik (ILUC in het jargon: Indirect Land Use Change) van die energiegewassen. Europa heeft wel duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen opgesteld, waarin gesteld wordt dat energiegewassen niet mogen worden geteeld op grond waar speciaal voor dit doel bossen gerooid werden of moerassen drooggelegd, want dat zijn CO2-sponzen. Het probleem is echter dat wanneer energiegewassen dan op landbouwgronden worden geteeld, de landbouw weer op zoek moet naar nieuwe bodems en het probleem zich verplaatst.

Een voorbeeld van ILUC: tussen 2000 en 2006 heeft men in Europa dubbel zoveel palmolie ingevoerd om de koolzaadolie te vervangen, die niet meer naar voedselproductie maar naar biobrandstofproductie ging. ‘Als men energiegewassen wil blijven verbouwen en tegelijk minder CO2 uitstoten, dan kan dat alleen wanneer mensen ofwel minder voedsel ofwel minder voedzaam voedsel eten’, luidt de conclusie van Timothy Searchinger, onderzoeker aan de Princeton University, in zijn paper Understanding the biofuel trade-offs between indirect land use change, hunger and poverty. Om een invloed op de voedselproductie te vermijden, zal steeds meer bos gerooid moeten worden, wat leidt tot meer broeikasgassen.

‘Als men energiegewassen wil blijven verbouwen en tegelijk minder CO2 uitstoten, dan kan dat alleen wanneer mensen ofwel minder voedsel ofwel minder voedzaam voedsel eten.’
Uit dat onderzoek bleek ook dat niet alle landbouwgrond die gebruikt wordt voor het telen van energiegewassen elders vervangen wordt door grond voor voedselproductie: van alle 100 calorieën afkomstig uit tarwe of maïs die voor bio-ethanol worden aangewend, worden er 25 niet vervangen voor voedsel. Searchingers conclusie: met eerstegeneratiebiobrandstoffen krijg je altijd een verlies-verliessituatie. Searchinger pleit voor het uitfaseren van de subsidies aan grondgebonden biobrandstoffen.

De grote vraag is dus of het huidige beleid wel beantwoordt aan zijn doelstellingen: tot uitstootvermindering in het transport komen, rurale ontwikkeling stimuleren en energiezekerheid verbeteren. Biofuels. At What Cost?, een studie van het International Institute for Sustainable Development (IISD), concludeert dat het Europese biobrandstoffenbeleid controversieel is, de voordelen op vele gebieden marginaal en onduidelijk zijn gebleken en er behoefte is aan betere controle. Dezelfde studie becijferde dat de hele sector tot 10 miljard euro per jaar aan subsidies ontvangt (accijnsverlagingen, belastingvrijstellingen, bijmengverplichtingen en ondersteunend onderzoek), terwijl die zelf tussen de 13 en de 16 miljard euro vertegenwoordigt. Tien miljard euro, dat is zoveel als het bedrag waarover in maart werd gediscussieerd voor de redding van Cyprus, en evenveel als de overheidsuitgaven van een klein Europees land als Letland of Estland.

De Europese Commissie is dan ook aan de slag gegaan om de regelgeving te herzien, te meer omdat in de toekomst ook scheepvaart en luchtvaart hun uitstoot moeten beperken en biobrandstof zullen gebruiken. In oktober stelde de Commissie een wetsontwerp op dat stelt dat in de toekomst het aandeel van eerstegeneratiebiobrandstoffen niet meer dan 5 procent mag bedragen van de voedselgrondstoffen, wat ongeveer neerkomt op een bevriezing op het huidige niveau. De rest moet afkomstig zijn uit andere hernieuwbare bronnen (biogas, elektriciteit) of uit biobrandstoffen van de tweede generatie (reststromen, afval of hout).

Er moet ook een duidelijkere rapportering komen over indirect landgebruik en vanaf 1 juli moeten nieuwe biobrandstofinstallaties kunnen bewijzen dat ze 60 procent CO2-reductie realiseren. Het ontwerp stelt ook voor om de subsidies voor biobrandstoffen na 2020 in te trekken, tenzij de producenten kunnen bewijzen dat ze een substantiële reductie van CO2 hebben bereikt. Zonder de vijfprocentnorm zal het aandeel tegen 2020 oplopen tot 8,5 procent, dat betekent dus nog meer druk op bodem en water en boerengemeenschappen.

Een beslissend najaar

De biobrandstoffenlobby reageert “geschokt” op het voorstel en noemt het “de doodsteek” voor zijn sector. De lobby, dat zijn de biodieselproducenten (European Biodiesel Board), de Europese boeren- en landbouwcoöperaties (Copa-Cogeca), de ethanolproducenten (ePure), de Europese plantaardige-olie- en proteïne-industrie (Fediol) en de suikerbiettelers (Cibe).

Volgens deze producenten maakt Europa een bocht van 180 graden en laten de Europese politici zich ompraten door de milieuorganisaties. Ze verwijzen naar de investeringen die er de afgelopen jaren zijn gedaan – waarbij ze het cijfer van 14 miljard euro noemen, terwijl de IISD uitkomt op 6,5 miljard euro in productiecapaciteit in de EU-27 – en rekenen voor dat hiermee honderdduizenden banen in Europa op de helling komen te staan. Dat de Commissie het aandeel van de tweedegeneratiebiobrandstoffen wil opdrijven, vinden zij niet realistisch, omdat het nog zeker tien jaar duurt voor die productie rendabel is.

Volgens hen is het ook onmogelijk om de juiste ILUC-factor te berekenen omdat de methodes ervoor nog niet helemaal precies zijn uitgewerkt. Zij vinden het een taak van de regeringen in de niet-Europese landen om te waken over dit indirecte landgebruik. Zulke bepalingen kunnen, volgens de producenten, mee opgenomen worden in de handelsovereenkomsten die in de maak zijn tussen de Europese Unie en Mercosur, de VS en Maleisië, landen die energiegewassen produceren. Zij pleiten voor een cijfer van 8 procent voor de eerstegeneratiebiobrandstoffen.

Over dit voorstel is afgelopen zomer door de parlementaire comités Milieu, Energie, Landbouw, Transport en Industrie gestemd en alleen in het Milieu-comité is een compromis van 5,5 procent eerstegeneratiebiobrandstof gevonden, de andere comités schuiven 6,5 tot 8 procent naar voren. Op 11 september vindt de plenaire stemming in het Europees Parlement plaats en in oktober zal de Raad zich erover uitspreken.

Marc Olivier Herman van het Oxfam EU- Advocacy Office: ‘In de Raad bewerkt de lobby elke lidstaat en verschillende lidstaten staan zeer weigerachtig tegenover een wijziging. Italië blokkeert elke ingreep omdat de biobrandstoffenindustrie voor hen heel belangrijk is. Ook de nieuwe lidstaten willen van geen begrenzing weten. Het Litouwse voorzitterschap zelf schuift een norm van 7 procent naar voren en baseert zich op een heel zwakke definitie van duurzaamheid.’

De Europese milieu-ngo’s willen het liefst van al eerstegeneratiebiobrandstoffen helemaal uitgefaseerd zien, op grond van een totale reorganisatie van de transportsector. Om na te gaan hoe realistisch dat is, lieten Greenpeace, BirdLife Europe, het European Environmental Bureau en Transport and Environment een studie maken door het Nederlandse onderzoeksinstituut CE Delft. Die studie, Sustainable Alternatives for Land-based Biofuels in the European Union, stelt dat duurzaam transport, gebaseerd op energie-efficiëntie, zuiniger motoren, een reorganisatie van het openbaar vervoer, elektrische wagens en tweedegeneratiebiobrandstoffen, met een uitfasering van de eerste generatie tegen 2020, heel wat meer klimaatwinst zou opleveren en onze voedselproductie minder in het gedrang zou brengen.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.