'Iedereen denkt dat hij kan lezen'

Voor Kristien Hemmerechts is taal even onmisbaar als lucht en water voor de zoogdieren onder ons. Ze schrijft in het Nederlands, maar leest in het Engels. ‘Je stapt via een taal in een cultureel systeem en daarom kan je in de ene taal aspecten van jezelf laten bovenkomen die in de andere geen plaats hebben. De Kristien die Engels spreekt, heeft nog een grotere mond dan haar Nederlandstalige alterego.’ We voeren het gesprek in het Nederlands.
‘Ik voel me een bezoeker in het Herman de Coninck-museum.’ Het is een zin uit haar boek ‘Taal zonder mij’. Kristien Hemmerechts beschrijft daarmee hoe ze zich voelt bij het wonen in het huis dat vroeger van haar overleden echtgenoot was. De woorden willen niet wijken, ondanks het gesprek. Hemmerechts is druk bezig als ik aanbel: ze zet koffie, doet nog snel een telefoontje, sluit een tekstbestand af en vraagt of ik Tweede Wereldoorlog met hoofdletters zou schrijven (ja, dus). Intussen zit ik aan de glazen tafel, in de kamer die vroeger Herman de Conincks werkkamer was. Het is lente, zegt het licht dat langs het grote raam binnen komt. Maar dat zie ik niet. Ik ben volkomen overrompeld: tegenover mij staat ongeveer twintig meter Nederlandstalige poëzie. Hermans erfenis, denk ik. De boekenkast ernaast telt evenveel lopende meter Engelstalig proza. Kristiens inbreng. Achter mij staat de wereldliteratuur te wachten tot ik me omkeer, maar als ik dat doe, kijk ik recht in de melancholische ogen van Herman de Coninck. Hier woont zoveel ingehouden, ingekaderd, ingelijst en ingetogen verdriet dat ik tot het volkomen onprofessionele besluit kom het niet op de tafel te gooien. Ik ben hier niet voor het zoveelste weduwegesprek met Kristien Hemmerechts, maar om te graven in de bergen literatuur waarop haar leven gebouwd is. Trouwens, het huis aan de majestueuze Cogels-Osylei in Berchem mag dan al een heel bijzondere betekenis hebben voor haar, uiteindelijk woont ze in taal.

‘Ik wil kunnen thuiskomen in een tekst. Een boek openslaan en voelen: aaah, dit is goéd geschreven. Bij de Canadese schrijfster Alice Munro heb ik dat, bij Amos Oz, bij Jeroen Brouwers, bij Toni Morrison. Dat zijn mensen bij wie ik me echt kan ontspannen als ik hen lees. Het is goed om in hun boeken te vertoeven. Vaak lees ik hun boeken niet eens voor het verhaal, maar voor de taal. Ik heb van hen ook zo veel gelezen, dat ik me vertrouwd voel met hun taal.’

Toni Morrison schrijft nochtans niet echt toegankelijke literatuur.

‘Soms irriteert ze mij, als ze te veel de zwarte mens gaat verheerlijken. In ‘De Hemelvaart van Solomon’, bijvoorbeeld. Voor mij is een mens een mens, ongeacht zijn of haar huidskleur. En het is waar, Morrison is geen gemakkelijke schrijfster. Oz is dat ook niet. Dat gevoel van ontspanning dat een goed boek bij mij oproept, heeft niet te maken met licht verteerbare kost, maar met de zekerheid die je hebt dat er geen valse noten in de tekst zitten. Ontspanning betekent niet dat het makkelijk is, maar dat je erop kunt vertrouwen dat het goed is. Deze lievelingsschrijvers hebben ook allemaal een gevoel voor het onaffe, voor het open laten, voor het mysterieuze. Ik hou van een verhaal dat me in brokstukken gepresenteerd wordt, zodat ik er zelf nog wat werk aan heb.’

Is een boek een manier om een andere cultuur te leren kennen?

‘Het is eerder omgekeerd. Als ik een realiteit of een land beter leer kennen, dan begrijp ik de literatuur die daar ontstaan is ook beter. Je kan iemand als Toni Morrison niet lezen zonder op elke bladzijde te beseffen dat haar woorden gebouwd zijn op de levenservaring van de zwarte gemeenschap in de VS. Haar literatuur is altijd een commentaar op de ‘condition africaine’ in Amerika. ‘Jazz’ zit zo boordevol verwijzingen naar de ervaringen van de eerste generatie bevrijde slaven. Wie dat historische verleden niet mee leest, begrijpt het boek niet.’

Is de jonge Kristien meteen aan dit soort romans verslingerd geraakt?

‘Neen. Wat mij in eerste instantie gevormd heeft, zijn de feministische boeken die ik las toen ik zo’n jaar of tweeëntwintig was. ‘Ruimte voor vrouwen’ van Marylin French, ‘De schaamte voorbij’ van Anja Meulenbelt, ‘Kinflicks’ van Lisa Alther. Die boeken hebben mijn ogen geopend. Ze leerden mij na te denken over de manier waarop ik leefde, waarop ik zou kunnen leven. De boodschap was duidelijk: wees geen slachtoffer, neem zelf je leven in handen, doe iets. Het zijn geen boeken die ik nu zou herlezen. Het zijn trouwens niet echt literaire hoogvliegers, denk ik. Toch bevrijdden ze me op dat moment van de vanzelfsprekendheid die ons leven toen beheerste, namelijk dat je van meisje moest opgroeien tot de-vrouw-van.’

Is het feminisme vandaag nog relevant?

‘Je maakt jezelf in elk geval niet populair door te roepen dat je een feministe bent. Misschien heeft de beweging haar tijd wel gehad. Zoals de Black Panthers hun tijd gehad hebben. Toch heb ik ook moeite met jonge vrouwen die zich vandaag met veel omhaal afzetten tegen het feminisme, maar zonder problemen alle vruchten van dat feminisme plukken. De kracht en het zelfbewustzijn van vrouwen vandaag -zaken die ik echt bewonder- kunnen maar bestaan dankzij de moed en het gevecht van vroegere generaties. Je kan het toch niet maken om al die pioniers af te schilderen als agressieve mannenhaters? In heel wat landen van de wereld kan je trouwens nog altijd beter als man dan als vrouw geboren worden.’

Vindt u uw maatschappelijke inspiratie vooral in romans of grijpt u liever naar non-fictie?

‘Eigenlijk zou dat niet zo’n groot verschil mogen maken. Vorig jaar verscheen ‘Once in a House on Fire’ van Andrea Ashworth. Het is een autobiografisch verslag van haar opgroeien met stiefvaders die haar misbruiken. Het boek is even sterk geschreven als wat je verwacht van een goede roman. Daaraan heb ik ook behoefte. Ik kan geen boek meer lezen dat ik slecht geschreven vind, zelfs niet als de thematiek me heel erg aanspreekt. Een goeie inhoud in een slechte vorm, dat ligt me dus niet. Anderzijds kan ik genieten van een twijfelachtige inhoud, indien het meesterlijk geschreven is. D.H. Lawrence, bijvoorbeeld, was een notoir seksist die vreselijk in de war was over de verhouding tussen mannen en vrouwen. Maar hij goot die verwarring in zulke prachtige teksten, dat ik zijn boeken met veel plezier kan lezen.’

Wie u wil verleiden, moet het met de taal proberen?

‘Ik ben altijd met taal bezig. Ik doceer literatuur. Ik lees voor mijn werk. Ik schrijf romans en krantencolumns. Ik leef op letters. Desnoods voed ik mij met nummerplaten of reclameslogans. Maar literatuur is een specifieke taal, het is een bepaalde manier van kijken. Je moet die taal verwerven. Hetzelfde geldt voor andere kunstvormen. Je moet léren luisteren naar muziek, je moet léren kijken naar schilderkunst. Iedereen denkt dat hij kan lezen, maar dat is niet waar. Je moet op zoek gaan naar sterke creaties en in die creaties moet je zoeken naar betekenis. Je moet tijd en energie investeren, jezelf laten verrassen. Zo werkt kunst.’

Wie creëert, mag ook een inspanning vragen van zijn publiek?

‘Absoluut. Ik zie wel dat er heel veel gemaakt wordt vandaag dat licht verteerbaar moet zijn. Hapklare brokken. Leesvoer voor een zappende generatie. Tegelijk wordt zo’n boek als ‘De God van Kleine Dingen’ van Arundhati Roy een internationale bestseller; is een literaire tournee met Leonard Nolens en Anna Enquist overal uitverkocht; doen concerten met Mediterrane polyfonieën het helemaal niet slecht; groeit het publiek voor de artistieke film. Er is dus wel degelijk vraag naar dingen die een inspanning vereisen. Het grootste probleem daarmee is het voortdurende tumult, de permanente drukte in de wereld van vandaag. Als je een boek wilt lezen, heb je ook behoefte aan ruimte, rust en stilte. Die dingen moet je bevechten op de dominante aanwezigheid van televisie.’

En niet alleen op de vierenvijftig kanalen van de kabeltelevisie. Terwijl Kristien Hemmerechts mij bezweert dat er meer rust en stilte nodig is, gaat de telefoon. Het antwoordapparaat doet zijn werk, maar Hemmerechts herkent de stem aan de andere kant van de lijn. ‘Mag ik even?’ Als zij terugkeert naar de koude koffie en het interview, vraag ik of een boek zelf ook een verstilde innerlijkheid moet hebben. Ze kijkt me verschrikt aan. ‘Je kijkt me aan als verten / en ik moest er erheen’, citeert ze in ‘Taal zonder mij’ een onuitgegeven gedicht van Herman de Coninck. Ik probeer haar plots ontstane verten te bereiken met allerlei omschrijvingen van wat ik bedoel, maar moet me uiteindelijk gewonnen geven en het woord noemen dat ik probeerde te omzeilen: moet een boek ook een eigen spiritualiteit hebben om haar aan te spreken? Het zegt haar niks.

‘Ik ben heel slecht in religiositeit. Het is een discours dat ik bijna even slecht versta als Chinees. Ik heb alle respect voor mensen die gelovig zijn, maar ik begijp hun taal niet. Soms denk ik dat ik het zintuig mis dat je nodig hebt om religieus te zijn. Ik ben gewoon een heel praktische vrouw en dat hele zoeken naar meditatie en transcendentie, daar heb ik niets mee.’

Toch hebt u een beeldje van de hindoegod Ganesh bij het boekenrek staan.

‘Drié Ganesh-beeldjes heb ik. Ik was vorige zomer in India. Dit zwarte beeldje kocht ik op het einde van de reis. Het kostte 18 BEF en is zo kitscherig dat het opnieuw mooi wordt.’ Enthousiast staat ze op en haalt van haar werktafel een meer klassiek, metalen exemplaar. Dan gaat ze naar de schoorsteen van de zithoek, waar ze bijna kreunend een massief granieten Ganesh vandaan sleept: gekregen van vrienden bij een bezoek aan Mahabalipuram.

Waarom koos u voor Ganesh en niet voor Kali, de godin die door veel feministische vrouwen in India vereerd wordt?

‘Omdat Ganesh zo sympathiek is. Dat buikje vertedert me zo. Ganesh vraagt niet veel, maar brengt wel geluk. Het is geen toornige, maar een vergevingsgezinde god. Het zachtaardige aan deze figuur steekt ook positief af tegen het schuldgevoel waarmee religie voor mij altijd verbonden was. Ik was ook echt toe aan een beetje geluk, dus was Ganesh een natuurlijke keuze. Ik ben daar volstrekt bijgelovig in: ik zou deze beelden niet zomaar durven buitengooien. Maar dat heeft voor mij niets met spiritualiteit te maken.’

Toch zit er heel veel ‘god’ in uw eigen boeken.

‘Ik ben niet gelovig, maar er is in mij een kind dat naar God verlangt. Elke mens verlangt naar zin, naar betekenis, naar liefde. Mijn gevoel wordt misschien het best uitgedrukt door Malamud die in ‘The Fixer’ schrijft: ‘Ik ben kwaad op God omdat Hij niet bestaat.’ Dat is een heel paradoxale positie, want je richt je emotie tegen iemand waarvan je zegt dat hij niet bestaat. Natuurlijk wil iedereen dat God bestaat. God is immers degene die aan alles betekenis geeft. De Vader met de ruime kapmantel waaronder we met z’n allen kunnen schuilen. Maar dat is een kinderlijke fantasie, een verlangen dat we op het onzichtbare projecteren. Dezelfde houding vind je in ‘The End of the Affair’ van Graham Greene, waarin de hoofdpersoon ongelovig is, maar in God een rivaal ziet, iemand die tussen hem en zijn minnares staat. Hij ontkent het bestaan van God, maar vervloekt Hem tegelijk. Dat soort gewrongenheid herken ik. Je krijgt dat niet meer uitgelegd aan jongeren die zonder godsdienst zijn opgegroeid, maar afvalligen zoals ik kunnen daardoor volkomen opgeslorpt worden. Lees er de gedichten van Charles Ducal op na. Die is volkomen doordrongen van religieuze beelden en verwijzingen, maar is tegelijk onvoorstelbaar heiligschennend.’

Waarom vereenzelvigt u een volwassen houding met verwerping? Geloven kan toch ook zonder beelden, zonder behoefte aan God-als-kenbare-werkelijkheid?

‘Ik heb nogal wat gelovige vrienden en ik heb daar veel respect voor. Ik ben een paar keer meter en bij het doopsel van één van die metekindjes was ik degene die dat gebeuren het meest au sérieux nam. Ik had het gevoel dat het voor de anderen veel meer een louter ritueel is. Als afvallige denk ik meer na over dat ritueel. Ik wil het toch nog betekenis geven.’

U hebt geen talent voor geloof, maar wijst rituelen niet per se van de hand?

‘Helemaal niet. Rituelen zijn zeer essentieel. Iemand die trouwt, daar hoort een huwelijksviering bij. Bij een begrafenis hoort een ritueel. Als er een kind geboren wordt, moét er doopsuiker zijn. Misschien moeten we ook wel eens een ritueel ontwikkelen om een echtscheiding te bevestigen. Rituelen zijn zeer belangrijk om een houvast te bieden, maar ze mogen je vrijheid niet afpakken. Je moet jezelf uiteindelijk terugvinden in het ritueel dat je gebruikt of waaraan je deelneemt.’

Quotes:

’ Soms denk ik dat ik het zintuig mis dat je nodig hebt om religieus te zijn’

‘Ruimte, rust en stilte moet je bevechten op de dominante aanwezigheid van televisie’
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur