‘Vlaanderen wil nog steeds overheveling Ontwikkelings-samenwerking’

De Vlaamse minister-president is verantwoordelijk voor Buitenlands Beleid en Ontwikkelingssamenwerking, en voor Landbouw, Zeevisserij en Buitenlandse Handel. Als iemand kan vertellen op welke manier Vlaanderen zich internationaal wil profileren en gedragen, dan wel Kris Peeters.
  • Brecht Goris Vlaamse minister-president Kris Peeters Brecht Goris
Tussen interviewaanvraag en gesprek liggen ongeveer negen maanden. De voldragen verwachtingen hebben er in elk geval voor gezorgd dat de minister-president –op krukken– goed voorbereid aan de start verschijnt. ‘De Vlaamse regering hecht veel belang aan een sterke internationale aanwezigheid en een volgehouden ontwikkelingssamenwerking’, zegt Kris Peeters aan het begin van het gesprek.
Dat blijkt echter niet uit de regeringsverklaring die hij op 13 juli 2009 voorlas. Van de 3186 woorden in die verklaring waren er welgeteld negen voor ontwikkelingssamenwerking: ‘We versterken onze inzet en onze solidariteit voor ontwikkelingslanden.’ Dat klinkt erg vaag en is toch echt wel heel beknopt voor wat een prioriteit zou moeten zijn?
Kris Peeters: Uw rekenkunde zal wel kloppen, maar uw conclusie niet. Ik ben ervan overtuigd dat wij er in Vlaanderen alle belang bij hebben om te benadrukken dat wij een zeer solidaire, internationaal gerichte regio zijn. Men valt ons –ten onrechte– aan omdat we enkele verdragen niet wensen te ratificeren [onder andere de Unesco-Conventie voor de Bescherming en Promotie van de Diversiteit van Culturele Expressies, gg], men verwijt ons bekrompenheid. Dit imago wordt duidelijk tegengesproken door bijvoorbeeld onze volgehouden inzet voor ontwikkelingssamenwerking.
De Vlaamse regering belooft een groeipad voor ontwikkelingssamenwerking, maar legt dat niet vast in cijfers.
Het doel is vastgelegd in het Pact 2020: tegen 2020 zal de Vlaamse regering haar uitgaven voor officiële ontwikkelingshulp (ODA, door de Oeso erkende uitgaven voor ontwikkelingshulp) verdubbelen tot 83 miljoen euro en samen met de andere decentrale entiteiten 7 procent leveren van de Belgische ODA. We zijn nu bezig met het finaliseren van de meerjarenbegroting, en daarin zal duidelijk worden hoe we tegen 2020 aan de vooropgezette doelstellingen zullen geraken. Om de verdubbeling te realiseren moeten we vanaf nu elk jaar gemiddeld 3,5 miljoen euro meer uitgeven aan ontwikkeling.
En zult u dat realiseren, nu de kaasschaaf over alle Vlaamse budgetten gaat?
We zullen het ritme van de groei tot en met 2011 beperkt moeten houden, maar daarna moet dat wel opgedreven worden, anders halen we nooit de doelstellingen van het Pact 2020. En ik wil er alles aan doen om het regeerakkoord tegen 2014 volledig uit te voeren.
In 2001 werd afgesproken om ontwikkelingssamenwerking over te hevelen ‘in zoverre ze betrekking heeft op de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden’. Sindsdien is daar niet veel meer over vernomen. Is dat idee dood en begraven?
Neen, want daar zijn afspraken over die uitgevoerd moeten worden. Men vraagt mij te bewijzen dat de overheveling naar een kleinere schaal geen negatieve gevolgen zou hebben, maar men bewijst nergens dat het behoud op federaal niveau per se positieve effecten heeft. Maar ik wil me niet bezighouden met het mordicus verwerven van deze of gene bevoegdheid.
Ik vind dat we eerst moeten aantonen dat we onze huidige bevoegdheden op uitmuntende wijze beheren, daarna dat we de capaciteit hebben om eventuele nieuwe bevoegdheden op te nemen. Wij hebben ons sterk gefocust op zuidelijk Afrika: Malawi, Mozambique, Zuid-Afrika, en op enkele aspecten van de millenniumdoelstellingen.
De samenwerking met Malawi is trouwens een echt succesverhaal, dankzij de efficiënte inzet van middelen. Ook met Mozambique functioneert de samenwerking goed, met Zuid-Afrika hebben we een aantal bijsturingen moeten doen. We moeten altijd streven naar meer efficiëntie en effectiviteit.
… en meer coherentie. In het advies van de Strategische Adviesraad Internationaal Vlaanderen over de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking (24 november 2009) wordt gevraagd om de afstemming binnen de Vlaamse regering en met de federale actoren te verbeteren. Hebt u daar al werk van gemaakt?
Ik ben er in elk geval van overtuigd dat coherentie absoluut noodzakelijk is. Waar die afwezig is, vind ik dat zeer betreurenswaardig. In ontwikkelingssamenwerking is dat zelfs pijnlijk. Ik heb in mijn beleidsverklaring ook gezegd dat ik mij wil engageren om tot betere afstemming met de Belgische ontwikkelingssamenwerking te komen. Ook binnen Vlaanderen moeten we tussen gewest, provincie en steden en gemeenten tot een betere afstemming komen. Ik heb geen probleem met het feit dat er heel veel initiatieven genomen worden, integendeel, maar het zou zonde zijn als dat niet op een efficiënte en gecoördineerde manier gebeurt.
Wat coherentie betreft: in juli 2007 stelde de Vlaamse regering dat ‘vrijhandelsovereenkomsten prioritair gericht moeten zijn op ontwikkeling, op uitroeiing van armoede en een rechtvaardige verdeling van de voordelen van globalisering’. Buitenlandse Handel is een Vlaamse bevoegdheid, weliswaar binnen een EU-kader. Hoe realiseert u deze mooie intentieverklaring?
Het komt er op de eerste plaats op aan deze visie op een onderbouwde manier te communiceren op de niveaus waar vrijhandelsovereenkomsten afgesloten worden, met name het Europese niveau.
Hebt u de Europese Commissaris voor Handel, Karel De Gucht, al attent gemaakt op deze Vlaamse beleidskeuze?
Ik heb met commissaris De Gucht al contacten gehad, maar nog niet hierover. Ik heb wel die intentie, ook al besef ik dat Karel De Gucht een sterke believer is in de markt en de marktwerking – dat heb ik gemerkt in contacten die we hadden over de vrijhandelsovereenkomst met Zuid-Korea, die invloed had op de automobielindustrie. Ik heb niet de illusie dat hij zijn beleid meteen zal omgooien omdat de Vlaamse regering dat vraagt, maar het is natuurlijk wel goed dat wij duidelijk maken hoe wij over vrijhandelsovereenkomsten denken.

Vlaanderen moet indruk maken met zijn expertise


In het regeerakkoord staat onder andere dat Vlaanderen zijn aanwezigheid in internationale instellingen wil versterken. Maar uiteindelijk is het wel België dat lid is van die organisaties, zelfs in de Unesco, waar de vertegenwoordiging alterneert tussen de gemeenschappen.
We moeten zelf een zetel innemen waar het kan, maar voor mij gaat het er niet om overal binnen te stappen en met de borst vooruit te zeggen: hier is Vlaanderen, wij willen op de eerste rij zitten. We willen een bijdrage leveren in internationale organisaties zoals de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de Unesco, de Wereldtoerisme-organisatie en andere omdat ze belangrijk zijn voor Vlaanderen. Ik heb er geen probleem mee om op de tweede rij plaats te nemen als we inhoud en een constructieve bijdrage kunnen leveren. Van daaruit zullen we op een bepaald moment het debat over lidmaatschap en vertegenwoordiging gemakkelijker kunnen voeren.
Vlaanderen belemmert al jaren de ratificatie door België van de Unesco-Conventie voor de Bescherming en Promotie van de Diversiteit van Culturele Expressies – omdat men vreest dat Franstaligen in de Brusselse Rand gebruik zullen maken van die Conventie om meer rechten te eisen. Is dat de “constructieve inbreng” die Vlaanderen nastreeft?
Zoals u het voorstelt, is dat een negatieve houding, en dat strookt dus niet met onze positieve ambitie. Het is een spijtig voorbeeld op vele vlakken. Die niet-ratificatie heeft een bewogen politieke geschiedenis en ligt dan ook heel gevoelig. Het is belangrijk om uit te leggen waarom wij die ratificatie niet onverkort kunnen doorvoeren, dat standpunt is ook nog eens opgenomen in het regeerakkoord en dat zal dus deze regeerperiode niet veranderen.
We zijn bovendien niet alleen met onze houding: Frankrijk bijvoorbeeld heeft het minderhedenverdrag – om dezelfde reden als wij– zelfs nog niet ondertekend.
Het regeerakkoord belooft ook dat de Vlaamse regering het Belgische EU-voorzitterschap ‘actief zal invullen’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
We hebben maximale afspraken gemaakt met de collega’s van de federale en andere regeringen van dit land. In dat afsprakenkader zal Vlaanderen het voorzitterschap opnemen voor Onderwijs, Sport, Jeugd, Leefmilieu en Visserij. Daarnaast zal Vlaanderen het Belgische standpunt vertegenwoordigen voor Werk en Energie.
Het is onze ambitie om het voorzitterschap op die beleidsdomeinen tot een succes te maken en te tonen dat Vlaanderen een verantwoordelijke regio is met heel wat potentieel. Het is een kans om ons kunnen en ons willen heel duidelijk te etaleren. Dat alles zal ook letterlijk zichtbaar worden door het gebruik van een aangepast logo waarin de Vlaamse tweekleur wordt gebruikt voor evenementen die wij organiseren.
Vlaanderen wil ook meer werk maken van een ‘culturele, economische en publieksdiplomatie’. Betekent dat meer vertegenwoordigingen?
Ik heb tijdens de Belgische diplodagen gezegd dat de kleur van de kat mij niet interesseert, als ze maar muizen vangt. Met andere woorden: we moeten resultaten boeken, ofwel door zelf aanwezig te zijn ofwel via de federale diplomaten, van wie ik uiteraard ondersteuning verwacht. In de praktijk functioneert dat. Onze zending naar Californië, bijvoorbeeld, is mee opgezet door de consul-generaal en de ambassadeur. Dat is voor mij veel belangrijker dan na het Vlaams Huis in New York en in Madrid meteen nieuwe huizen te openen.
Overweegt u om het Vlaams Huis in New York te sluiten?
Het is duidelijk: als dat Huis in New York op termijn geen resultaten boekt, dan moeten we daar de conclusies uit trekken en de zaak sluiten.
Toen Karel De Gucht nog minister van Buitenlandse Zaken was, zei hij dat Vlaamse diplomatie binnen Europa misschien zinvol is, maar nergens op slaat zodra je de Europese ruimte verlaat.
Zelfs België is nauwelijks bekend, dus dat verschil is niet zo groot. Waarmee we in het buitenland indruk maken, is niet met de Belgische of de Vlaamse vlag, maar met de expertise die we aanbieden. In Californië werd er enorm opgekeken naar IMEC, in Japan ging het om de vier Vlaamse havens. Onze universiteiten en onderzoeksinstellingen, het cultureel erfgoed en de hedendaagse kunstenaars: dat interesseert het buitenland. We moeten dus af van de polarisatie tussen Vlaanderen en België, en focussen op wat echt belangrijk is.
In het kader van ViA is er veel aandacht voor de relatie met de BRIC-landen. Wordt die interesse vertaald door de huidige Vlaamse regering in tastbare, diplomatieke inspanningen in de landen?
Het is natuurlijk belangrijk dat we de traditionele investeerders –de Verenigde Staten en Japan– niet verwaarlozen. We moeten er absoluut alles aan doen om de uitbreidings- of vernieuwingsinvesteringen uit die landen naar hier te halen. Voor Brazilië, Rusland, India en China geldt hetzelfde als voor de rest van de wereld: het is cruciaal in te zetten op de noden en behoeften die daar leven en waarvoor wij een excellent aanbod hebben.
Land- en tuinbouw zijn onze troeven in de relatie met Rusland, de Nederlanders benijden ons die positie. Je kunt in Moskou geen peer eten of ze komt van hier. In Brazilië openen we vooral deuren met onze kennis van de waterhuishouding, de binnenvaart en de infrastructuurwerken die daarmee samenhangen.
India en China zijn hele grote landen waar iedereen naartoe gaat vandaag, daar is het nog moeilijker om vanuit Vlaanderen opvallend aanwezig te zijn. We moeten niet denken dat China op Vlaanderen zit te wachten, maar als we heel goed kijken welk aanbod wij hebben voor een bestaande vraag, zijn er ook daar uitstekende mogelijkheden.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur